| |
 |
 Leliegeur - II
Verhalen
|
20 Maart 2011 | 21:55:30
 |
"Niets is sterker dan de obsessie van een vrouw", verklaart ze hijgend.
Ze grijpt mijn arm alsof ze bang is dat ik er vandoor ga maar we weten allebei dat we geen kant op kunnen; de grens zit al dagen dicht.
"Helemaal niets. Je zou denken van wel, dat zou je onderhand denken in deze tijd. In deze tijden van ontwikkeling, nietwaar. Maar als het er op aan komt hè... als het erop aan komt is het terug naar primitief, en die weg is korter dan je denkt. Daar kan geen logisch redeneren tegen op. Geen ratio, dat vooral", en het klinkt alsof haar met dat woord zojuist iets allesomvattends te binnen is geschoten. Ze knikt hard.
Ik ben moe. Zweterig ook, onzekerheid maakt alles rillerig en klam.
"Ja", zeg ik, voornamelijk op de automatische piloot, "het is wat met die menselijke emoties. Doorgaans geen touw aan vast te knopen."
"Heb jij ook...?" Zwarte ogen kijken me recht aan, dan barst ze opeens in lachen uit. Een beetje krakerig lacht ze, alsof het van dieper moet komen dan lukt. "Nee, natuurlijk niet, dat bestaat niet. Jij bent niet van hier."
"Nee", beaam ik, "ik ben niet van hier." Feit blijft intussen dat we allebei hier zijn en dat ik momenteel ook weer niet veel beters te doen heb dan naar haar verhaal luisteren.
"Natuurlijk begrijp je het niet", zegt ze nogmaals, haar ogen op het plafond gericht.
"Heel goed mogelijk", zeg ik. "Misschien kun je het me uitleggen zodat ik het wel begrijp."
"Ik heb het zelf ook lange tijd niet begrepen", vervolgt ze. "Dat wil zeggen, lange tijd was het vanzelfsprekend. Er was niets discutabels aan, niets ambivalents. Het was zoals het was. Dat had je mee moeten maken, de gloriejaren. Dan zou je het begrijpen."
Haar gezicht bloeit open als een lelie. Ik voel de atmosfeer veranderen; angst maakt plaats voor dromen en voor teruggrijpen op dromen.
"We waren één, allemaal waren we één. Eén in de liefde, één in onze overwinningsleuzen, één in het ritme van onze voetstappen... we zouden voor hem sterven, stuk voor stuk. Ik hoef mijn ogen maar te sluiten en ik ben weer op het plein; ik voel de zon, de verbondenheid, de sprankeling van onze jeugd, de ongelofelijke kracht. Uniform, majestueus. Naderhand waren we vaardig, met heel ons hart, met elke vezel van ons lichaam. Gelouterd waren we, door en door rein. Niets en niemand kan ons scheiden van die liefde."
Ik moet toegeven dat ik er inderdaad niet veel van snap maar ik onderken het feit dat ze de laatste zin in de tegenwoordige tijd uitspreekt.
"Hoera voor de liefde", zeg ik dan maar.
"Ja", zegt zij, wonderwel op krachten nu, "dat waren tijden. Those were the days of my life. Bloemen waren we. Het was voortdurend lente, alles stond op openbersten en we reikten zo hard als we konden. Wij waren de jeugd, de belofte. Zíjn belofte. Onze dankbaarheid kende geen grenzen. Pure hartstocht was het, sterk en zilverachtig als een harnas."
Haar ogen schitteren, ik denk aan onyx.
"Klinkt als een toffe tijd. En toen?" Ik weet dat ze getrouwd is. Was. Nee, toch is; het is nog veel te vers voor was.
Ze lijkt mijn vraag niet te horen. "Vroeger begreep ik niet hoe het mogelijk was en ik wilde dat ik het nog steeds niet begreep. Dat ik gewoon uit volle borst kon haten, dat zou in zeker opzicht fijn zijn. Maar zo werkt het niet.
Mijn moeder", gaat ze verder, "zou het hebben begrepen, achteraf gezien. Mijn vader... 'ik hou van hem maar ik hou niet van zijn daden', zei ze dan en dat vatte ik nog niet, toen nog niet, en ook nu nog slechts ten dele. Je kunt er namelijk twee kanten mee op heb ik ontdekt. Of de liefde legt een marsepeinen laagje op de daden, of de daden vergrimmen de liefde. Op dat punt scheidden onze wegen: mijn moeder vergrimde; ik werd nog toegewijder. Maar te begrijpen is het niet: gevoel dat op hetzelfde moment gepaard gaat met een mindere of juist fraaiere variatie op dat gevoel, vervolgens met weer een variatie dáárop, tot in het oneindige, tot gekwordens toe... ken je dat? Wees maar blij als je het niet kent. Het een als gradatie van het ander en dan maar proberen uit te vogelen wat er als eerste was. Of hoorde te zijn. Als je geluk hebt, valt het samen. Als je pech hebt... maglooba."
Ze last een adempauze in en ook ik zucht diep. Met de juiste hoeveelheid lucht in haar longen kan ze hoogstwaarschijnlijk nog uren orakelen over de tweeslachtigheid van haar obsessie waarvan de inhoud me nog steeds niet duidelijk is, en ik ben het eigenlijk nu al zat. Dit zijn geen tijden voor oeverloos gewauwel; we hebben onze handen vol genoeg aan de feiten.
Maar dan trekt iets mijn aandacht: ze heeft haar ogen gesloten en er ligt een glans op haar gezicht die ik met de beste wil van de wereld niet aan iets aards kan toeschrijven. Die is er nagenoeg geweest, denk ik, vacuüm als ik nu eenmaal al jaren ben. Automatisch buig ik me over haar heen en dan word ik nogmaals verrast, ditmaal door de leliezoete geur die rechtstreeks uit haar poriën lijkt te komen.
Onwillekeurig denk ik aan Fergie, mijn cyperse kat die ik noodgedwongen heb moeten achterlaten in het zoveelste Saudische pension. Die kan ook ongeveer zo ruiken als ze lang genoeg onafgebroken wordt gestreeld. Druk je neus in de vacht en je ruikt voorjaar. 'De poes bloesemt', pleegt Tiffany te zeggen. Niet aan denken nu.
"Gaat ie?" vraag ik.
Als antwoord richt ze zich iets op en tast in de stof rond haar heupen. Met trillende handen haalt ze een foto uit een plastic hoesje en laat hem aan me zien. Halverwege de jaren tachtig, schat ik. Auberginekleurige overall. Hoe oud was zij toen? Zeker niet ouder dan tien.
"Wat zie je?" vraagt ze.
Ik grinnik; neemt ze me in de maling? Maar haar wijsvinger raakt zijn gezicht al aan.
"Geen spoortje vrouwelijkheid", fluistert ze, "geen greintje vrouwelijkheid. Dat is waar ik van hou."
"Dat staat je vrij", zeg ik, geen zin als ik heb in een discussie over het al dan niet moreel verantwoorde van dat houden van.
"Mijn leven", zegt ze.
"Wat is er met je leven?"
"Voor hem. Voor elk stukje van dit."
Ik twijfel of ik het gênant of lachwekkend moet vinden hoe haar vingers over de foto glijden alsof ze het vijfentwintig jaar jongere lichaam zegenen, heiligen. Maar haar obsessie lijkt me inmiddels duidelijk: ze is verliefd, blindelings verliefd in de meest letterlijke zin des woords, op een stukje machtsvertoon.
"Je bent verliefd", zeg ik dan ook.
Ze glimlacht wijs. "Dat zeggen jullie allemaal. Jullie met je dwaze, zogenaamd moderne concepten. Verliefdheid... weet je wat je daar van krijgt? Eenzaamheid, dat krijg je er van. Hier is niemand eenzaam. Hij is onze redder, ons vangnet, onze midhalla." Haar hand streelt zijn nog korte haar.
"Het komt me voor dat die plu z'n beste dagen heeft gehad."
Ze glimlacht weer: "Houdt de zon 's nachts op met schijnen? We weten allemaal dat dat niet zo is. Zo is het nu, hier. Het duister lijkt de overhand te hebben maar we weten wel beter."
Een vraag laat zich niet langer negeren: hoe kan zij in godsnaam getrouwd zijn geweest met Ghazi, de held van eergisteren? Ze is doorgedraaid, denk ik er meteen achteraan en ik kan het haar onmogelijk kwalijk nemen.
"Skylar Grey", fluistert ze even later, "niemand heeft het ooit beter verwoord dan Skylar Grey."
"Sorry, ken ik niet", zeg ik, "wie is het?"
"Love the way you lie."
"Da's toch van Rihanna?"
"De tweede versie. Die van Skylar Grey."
"Sorry. Ken ik niet."
"...part of me still loves the way he lies." Het klinkt als een heuse biecht.
"Ach... zolang je je maar blijft realiseren dat het leugens zijn nietwaar. Maak je nou maar niet te druk."
"Je snapt het echt niet hè. Dat probeer ik je nu juist uit te leggen: 'je iets blijven realiseren' doet niets af van de onderstroom. Het is de onderstroom die allesbepalend is, wat de ratio ook zegt."
Ze ademt weer moeilijker nu en ik zeg dat ze moet gaan liggen. Ze doet het; de foto verdwijnt weer in het hoesje in haar rok. Haar ogen vallen dicht.
Ik sta op, loop wat rond, draai de kraan open en was mijn handen maar weer eens; de bedomptheid is er al dagen niet van af te spoelen. Ik draai de kraan weer dicht en hoor haar neuriën, vervolgens zingen:
on the first page of our story
the future seemed so bright
and this thing turned out so evil
I don’t know why I’m still surprised
even angels have their wicked schemes
and you take that to new extremes
but you’ll always be my hero
even though you've lost your mind
Haar stem is iel, weliswaar zuiver maar zonder de minste vibratie; een hoge, platte vrouwenstem. De laatste twee regels lijkt ze echter te willen onderstrepen; ze zet er heel haar longcapaciteit voor in. Ik ga weer zitten en vouw mijn handen, al weet ik bij god niet waarom.
'cause you feed me fables from your hand
with violent words and empty threats
and it’s sick that all these battles
are what keeps me satisfied
Tranen in groeven die er nog lang niet zouden moeten zijn. Met een zakdoek waarvan ik geen idee heb hoe ik er aan kom veeg ik ze weg en zeg dat het oké is, "it's okay".
Ze schudt haar hoofd.
"Nee, dat is het niet. Ik weet wat het is. Ik ben niet gek weet je. Maar tegelijkertijd... het is sterker dan ik, sterker dan alles. Het heeft me. Heeft me altijd gehad, zal me altijd hebben. Ik... vertel dit alsjeblieft aan niemand. Vergeet het."
Natuurlijk beloof ik dat en terwijl ik dat doe begint er iets te snerpen, vervolgens te bulderen.
Ik kijk uit het raam. Een vuurbal schiet langs de hemel, eerst schuin, dan loodrecht omlaag. Als het tumult en het trillen voorbij is, dringt de rook onze kamer binnen, aanvankelijk subtiel als motregen maar al gauw het laatste restje leliegeur verdrijvend.
Niet eens zo heel veel later schuif ik de trouwring van haar vinger. Ik lees de naam en ben voor het eerst sinds weken sprakeloos.
|
|
|
 |
 Vrij
Gedichten
|
18 Maart 2011 | 23:32:36
 |
nu even niets: god van de zandbak
(die hem scheppen leerde) heeft
een vakantiedag; je wandelt
langs de Middellandse Zee.
kalme branding. water spiegelt niet
alleen, het spiegelt ook de wereld
af: dit behapbaar kabbelen
heet democratie.
(elke golf het volste recht
op eigen golfslagklank -ook
indien vals of kolderiek-
zolang hij maar
richting jouw voeten stroomt).
hier is het leven goed
en alles is zoals het moet:
je bent je hele lengte groter
dan de zee en zelfs de zon
is kleiner
dan je paraplu.
|
|
|
 |
 Veilig
Gedichten
|
16 Maart 2011 | 22:25:57
 |
god van de zandbak die je scheppen
leerde: je stelt je als je eigen
afgod aan. van wie zich massaal
tot je bekeerde laat je ieder
in de waan dat deze beker door wie
afviel dient gedronken.
niets is nog beklonken maar je breekt
de wijn al aan; onvermengd
en aangelengd met edik zal ze leren.
goedertieren als je bent geef je
ze tijd tot terugbekeren en zo niet
dan is het eigen schuld.
ook weer niet te veel geduld: het oproer
breidt zich uit. dwazen roepen
overluid dat jij hun god niet bent;
ongekend hoezeer verblind en
aangetast de tijden. om de waardigheid
niet meer te laten lijden trek je
er met je gevolg op uit. stuitend op
wat ronduit door de duivel is
bekokstoofd rest je nog maar één
besluit: uitgeroeid moeten
die idioten opdat ieder weer normaal.
doden is je hobby niet maar
dit slaat alles wat verbaal
is te verslaan, dus moet even zo bar-
baars gestraft. heilig is de slag
die je hen toedient in gods naam;
nog een legioen te gaan en
alles is weer veilig. |
|
|
 |
 Johannes
Zout op perkament
|
13 Maart 2011 | 20:52:11
 |
Bij elke ingang hangt een bord. Op dat bord staan twee regels: "Tien minuten voor de dienst zijn alle plaatsen vrij" en "Vrouwen wordt verzocht de Eredienst te bezoeken met gedekten hoofde".
Vanwege die eerste regel zijn we er altijd heel vroeg, belachelijk vroeg eigenlijk; soms staan we zelfs te wachten voor een dichte deur. Gaan de deuren eenmaal open dan ben je als een van de eersten in de doorgaans nog kille kerk en daar is niets interessants of opwindends aan. Het betekent alleen dat je nog een half uur moet wachten voor de dienst begint. Vooral het eerste kwartier is vervelend, daarin gebeurt namelijk niets. Je kunt gaan kijken naar de binnenkomende mensen, stuk voor stuk bekende gezichten, en als het je opvalt dat iemand er niet is of pas heel laat binnenkomt, kun je gaan gissen naar de achterliggende reden. Je kunt ook naar de kleding van de mensen gaan kijken, ook niet veel aan wegens veel van hetzelfde. Of je kunt naar de jongelui op de galerij kijken, dat is al wat boeiender omdat er overduidelijk risicogevallen bij zitten; jongens en meisjes van wie je van heinde en ver al kunt zien dat ze daar over tien jaar niet meer zitten. Wie op zoek is naar openlijke wereldgelijkvormigheid in de kerk moet het beslist op de galerij zoeken. Toch vind ik ook daar uiteindelijk niet veel aan. Een halfgebakken toestand is het eigenlijk, dat gehang op zo'n klapstoel op de galerij en intussen de hele dienst fluisteren en ginnegappen en tegen je geliefde aanhangen. Nee, hoewel ik nog geen idee heb waar ik zal belanden als ik mijn grote slag zal slaan, het zal in ieder geval niet op de galerij zijn.
Na het eerste kwartier komt er wat leven in de brouwerij. De kerkklokken beginnen te luiden, dat doen ze zo'n minuut of vijf, en daarna begint het orgel te spelen en komen de vreemdelingen binnen want nu zijn immers alle plaatsen vrij, ook degene met het bordje 'gereserveerd' erop. Ik zit altijd achter een stoel waarop een 'gereserveerd'-bordje zit. Die stoel is namelijk gereserveerd voor de mongoloïde zoon van ouderling Van Berkel. Gek word ik van dat bordje. Behalve dat ik me als kleuter al oefende in het feilloos uitspreken van 'dreevresereg', is er uit dat woord een heel scala nieuwe woorden te vormen en om de een of andere reden vergeet ik er altijd wel een. Soms raak ik er zo gefrustreerd door dat ik een pasgekregen pepermunt in een keer stuk bijt in plaats van hem minstens een kwartier in mijn mond te laten liggen, opdat er behalve de soms gortdroge preek ook nog iets sapverspreidends is. Dan is die pepermunt dus weg voor ik er erg in heb, een nieuwe reden voor frustratie.
Tijdens die laatste tien minuten komen de vreemdelingen dus binnen, de vakantiegangers en de mensen 'van buitenaf'. Daar wil nog wel eens wat spannends tussen zitten; een boeiend gezicht of een artistieke kledingstijl. Soms zelfs toch een vrouw zonder 'gedekten hoofde' die ofwel het bord niet heeft gezien ofwel in een vlaag van euvelmoedigheid heeft besloten het te negeren. Zo iemand krijgt dan acuut de koster op haar dak en vervolgens een van de noodhoedjes uit de consistorie op haar hoofd. Dat, of wegwezen.
Vandaag zit er een vreemde familie op de voorste bank links van ons, de bank waar normaliter het talrijke kroost van dominee Verheijst zit. Ik weet wie het zijn: mensen uit Zeeland die in de pastorie op vakantie zijn terwijl dominee Verheijst en zijn gezin in hun huis in Zeeland zitten. Ik verveel me weer eens heel erg en ik heb geen pepermunt dus ik ga die mensen maar eens goed bekijken. Oudste zoon, aantal jaren ouder dan ik zo te zien, een varkensgezicht en vieze plakgel in z'n haar. Meisje van mijn leeftijd: flets typje dat dringend wat verboden make-up nodig heeft alsook een goede kapper. Van die twee zitten er nog zes jongere exemplaren op de bank, samen met de streng ogende moeder en de vader met hetzelfde allesverklarende varkensgezicht. Ik heb zo ontzettend niks te doen dat ik maar naar die oudste zoon ga zitten gluren. Hilariteit: hij kijkt terug. Ik stoot Marleen aan, fluister dat die gast zit te koekeloeren.
"Iewww", fluistert zij terug.
"Precies", grinnik ik.
Een vermanende blik van mama en we houden onze mond al weer. Intussen is de dienst nog steeds niet begonnen en het wachten hangt me ongelofelijk de keel uit. Toch nog maar eens gluren dan. Het varken kijkt terug. Ik grijns een beetje voor me uit. Het is best grappig dat ik jongens kan laten denken dat ik in ze geïnteresseerd ben terwijl ik dat niet ben. Maar nu hou ik er toch maar mee op, anders wordt het nog zielig ook. Bovendien ben ik nog steeds heel erg verliefd op André en dat blijf ik voor de rest van mijn leven dus het geeft ook eigenlijk geen pas om iemand iets anders te laten denken.
Het is de vrijdag na die zondag en ik kom thuis van een rondje fietsen. Ik fiets ontzettend veel, altijd al gedaan. Buiten het dorp, tussen de weilanden en de sloten met slechts nog hier en daar een boerderij, daar kom ik tot rust. Ik hang er vaak maar wat rond, nadenkend, ademend, de ruimte om me heen op me in laten werkend. Als ik dan na een paar uur weer thuis kom kan ik er weer tegen. Nu kom ik thuis en mama is in alle staten.
"Er heeft iemand voor je gebeld!" roept ze terwijl ik nog in de bijkeuken ben.
"O?" zeg ik. Ik kan niet bedenken wie er gebeld kan hebben. André zal het niet zijn (zou André het zijn?!) en verder belt er ook nooit iemand behalve een paar vriendinnen van school die net als ik te nerdy zijn voor lange telefoongesprekken.
"Hij heet Johannes", zegt mama. Haar gezicht straalt van opwinding. "Waarom heb je niks gezegd? Stiekemerd!" En dan omhelst ze me zomaar.
"Ik ken geen Johannes", zeg ik verbouwereerd.
"Nee en hij kende jou ook niet. Dat wil zeggen, hij wist niet hoe je heet en waar je woont, maar daar is hij via de dominee achtergekomen en toen heeft hij gebeld! Om kwart over zeven, toen heeft hij gebeld."
"Maar wie is het dan?" Ik heb nog steeds geen flauw idee.
"Die jongen uit de kerk!" kwinkeleert mama, "van die mensen die in het huis van de dominee op vakantie zijn! Hij zei dat jullie de hele tijd... oogcontact hadden en hij wilde weten wie je was... wie dat bijzondere meisje was!" Ze omhelst me nog een keer, ik ben in jaren niet zo veel omhelsd.
"En nu?" vraag ik.
"Nu... ik heb zijn telefoonnummer opgeschreven en ik heb gezegd dat je terugbelt! Ga maar gauw!"
"Maar wat moet ik dan zeggen?"
"Dat komt wel goed. Het komt allemaal helemaal goed." Mama straalt, net alsof ze verliefd is.
Ik ga naar boven en bel. Het varken dat blijkbaar Johannes heet neemt op.
"Hoi", zeg ik, "met Corianne."
"Hoi!", zegt hij. "Wat fijn dat je terugbelt... ik weet niet goed wat ik moet zeggen, dit is eigenlijk een beetje raar... maar ook wel bijzonder. Ik heb de hele week aan je moeten denken... ik... zou je... zullen we morgenavond iets gaan doen?"
"Wat dan?" vraag ik een beetje onbenullig en hij hoort het kennelijk ook want hij zegt:
"Sorry, ik overval je natuurlijk. Ik weet ook niet zo goed hoe ik dit moet aanpakken. Ik... het was gewoon meteen raak, zondag in de kerk. Ik dacht, ik zat te denken, misschien kunnen we morgenavond naar Berg en Bos gaan?"
Ik denk na, overweeg hoe ik 'nee' kan zeggen zonder onbeleefd te zijn, maar dan bedenk ik dat als ik 'ja' zeg, hij morgenavond onmiddellijk zal begrijpen dat hij het wat mij betreft niet bij het rechte eind heeft en dan zal alles zich vanzelf oplossen.
"Dat is goed", zeg ik daarom en we spreken af dat hij me om half acht komt halen.
Ik ga weer naar beneden, naar mama die me verwachtingsvol aankijkt.
"We gaan morgenavond naar Berg en Bos", zeg ik met een zenuwachtig lachje.
"O meisje wat fijn!" Ze omhelst me warempel al weer. "Wat vind ik dat fijn voor je. Ik gun je zo erg een goede jongen. Wat vind ik dit fijn voor je meisje", zegt ze nog maar een keer.
Zaterdagochtend. Ik maak mijn bed op en pretendeer blijdschap door te zingen. Ik doe boodschappen, ga in bad en was mijn haar. Het is langer dan ooit, pijpenkrullen tot halverwege mijn rug. Bruin truitje en bruine rok met bloemen aan, een vleugje Indian Summer. Meteen voel ik me een verraadster. Het is André's parfum; mijn hele leven lang zal ik geen Indian Summer kunnen ruiken zonder aan hem te denken. Maar wat weet het varken van André en Indian Summer, bedenk ik dan, en ik besluit het te dragen als een heimelijke trouwring.
Hij haalt me op in een Volkswagen met open dak die mijn goedkeuring wel kan wegdragen en hij groet me met een kusje op mijn wang. Het is toch best een beetje een leuke situatie, met de wind in mijn haren naar Apeldoorn scheuren en hij zet ook nog eens de radio aan. Dat is een grote plus want radioluisteren is bij ons in de kerk officieel verboden. Ik ken de liedjes, ik word er vrolijk van en ik lach naar Johannes. Al met al is dit behoorlijk stoer en cool, ook al zit ik naast iemand bij wie ik eigenlijk niet wil zijn. Ik besluit om gewoon lol te hebben vanavond.
We kijken naar een vuurwerkshow op het water die echt heel mooi is, en ook nog naar een film over een Indiase stam. Daarna, het is inmiddels al flink donker, lopen we nog een stuk door het park en beklimmen de uitkijktoren. Er is weinig te zien en hij drukt een voorzichtig kusje op mijn lippen. Daar moet ik dan meteen weer niets van weten. Hij zegt: "Sweet seventeen and never been kissed" en ik laat het maar zo. Hij is drieëntwintig, half zo jong als André en hij weet niets van mij.
Bij het afscheid opnieuw een kusje en de belofte dat hij morgen bij de kerkdeur op me zal wachten.
"Oké", zeg ik. Zoveel kwaad zal het niet kunnen als ik de illusie nog een dag langer in stand houd.
Het is al over half twaalf maar mama zit nog op me te wachten.
"Daar hebben we mijn grote dochter", lacht ze. "En... hóe wás het?"
"Leuk", zeg ik, "we hebben mooi vuurwerk gezien en nog een film en toen hebben we nog gewandeld."
"En toen is het gebeurd?" straalt ze.
"Zoiets", zeg ik en ik zie dat ze mijn reactie vertaalt naar verlegenheid.
"Gefeliciteerd meisje", zegt ze en ze staat op om me waarachtig al weer te omhelzen. "Dat je nu toch via dominee Verheijst een jongen hebt mogen ontmoeten", zegt ze terwijl ze me tegen zich aan houdt en ik hoor de tranen in haar stem.
We hebben veel bekijks als we samen de kerk binnenkomen, Johannes en ik. Ik voel me slechts een klein beetje schuldig; bovenal geniet ik van de aandacht. De kerkdienst is meteen ook een stuk minder vervelend, we eten veel snoep en we fluisteren meer dan ik de rest van mijn leven in de kerk heb gedaan. Daarna ook nog koffiedrinken bij zijn ouders, broers en zussen die allemaal heel aardig zijn en me van harte welkom heten in de familie. Ze zeggen hetzelfde tegen Johannes als mama tegen mij: "Dat je nu toch een meisje hebt uit de kerk van dominee Verheijst!"
's Middags opnieuw naar de kerk en 's avonds wandelen door het bos met het plan om daarna bij mama koffie te drinken, maar zo ver komt het niet. In het bos wil hij me opnieuw zoenen en deze keer gaat het met een hoop speeksel gepaard. Ik gruw er hartgrondig van. Me voorstellen dat het André is die me zoent, alleen om het moment door te komen, werkt ook niet; Johannes lijkt in niets op André.
"Sorry", zegt hij daarna. "Dit heb je nog nooit gedaan he? Sorry als ik te hard van stapel liep."
Ik veeg met een zakdoek mijn mond schoon.
"Dat is het niet", zeg ik. "Het is gewoon... dit gaat niks worden. Ik wil dit niet. Ik wil naar huis en ik wil dat dit over is."
"Ik heb je dus wél laten schrikken", zegt hij.
"Nee, daar gaat het niet om. Ik... ik voel niets voor je en ik wil dit niet."
"Maar... maar waarom ging je gisteravond dan met me mee? En vandaag mee naar de kerk en naar mijn ouders?"
"Ja, ik weet het, het is stom. Ik had niet gedacht dat het zo zou lopen. Ik... ik weet het niet. Het spijt me."
Hij slaat een arm om me heen.
"Je hoeft niet bang te zijn. Ik zal vanaf nu heel voorzichtig met je doen."
"Daar gaat het niet om", zeg ik nog een keer. "Ik ben niet wie je denkt dat ik ben. Ik ben geen lief braaf net kerkmeisje. Ik wil niet eens meer naar de kerk, al heel lang niet meer. En ik wil niet trouwen en ik wil geen kinderen krijgen en ik wil helemaal niets", zeg ik er puberaal achteraan, "en ik heb...", maar dan houd ik mijn mond; mijn verhouding met André gaat hem niets aan.
Johannes staart een hele tijd voor zich uit.
"Dan kan ik maar beter naar huis gaan", zegt hij uiteindelijk. Ik knik, zeg nog een keer dat het me spijt en begin dan zo snel ik kan richting huis te lopen, ik wil hem niet meer zien.
"Wát heb je gedaan?" roept mama. "Dat meen je niet. Je kent die jongen nog maar net! Bel hem straks maar even op om te zeggen dat je in de war was. Het is ook niet niks, zo'n plotselinge verliefdheid."
"Ik ben niet verliefd", zeg ik stuurs, "en ik word ook niet verliefd."
"Hoe kun je dat nou weten. Soms moet dat gewoon groeien. Ik denk dat dat bij jou ook zo is. Jij bent zo gevoelig, jij hebt tijd nodig om ergens aan te wennen voor je er van kunt genieten. Maak het nu maar gauw goed."
"Nee", zeg ik.
"Toe, wees niet zo koppig, hij zit vast al te wachten bij de telefoon. Je hoeft niet bang te zijn dat hij het raar vindt. Want dat is het he, je bent bang dat hij het raar vindt."
"Nee", zeg ik, "ik bel niet want ik wil het niet. Ik wil het gewoon niet."
Nu is mama een hele tijd stil.
"Je bent gek", zegt ze dan. "Als je dit echt meent ben je niet goed bij je hoofd. Dit is de kans van je leven! Ben je dan werkelijk zo'n uilskuiken dat je dat niet ziet?"
Ik haal mijn schouders op en voel me wegzakken in een schemer waarin alles me om het even is.
Mama begint te huilen. "Dit kun je jezelf en ons allemaal niet aan doen! Dit is je kans op geluk, je kans op een man en een gezin, en wat doe jij? Je gooit het gewoon allemaal weg, ondankbaar nest dat je bent."
Ik haal nogmaals mijn schouders op en zeg dat ik ga slapen.
Nog dagenlang probeert mama me over te halen, dan weer door me voor te spiegelen hoe ideaal mijn leven zal zijn als ik met Johannes trouw, dan weer door te zeggen dat ik het haar verplicht ben een gezin te stichten, een godvrezend gezin waar zij kan komen logeren want ze heeft het immers niet makkelijk met papa.
Vervolgens wordt mama ziek. Ze wordt heel erg overspannen en het is mijn schuld, daarover laat ze geen misverstand bestaan. Ze krijgt anti-depressiva die haar zo mogelijk nog zieker maken en het duurt maanden eer het weer wat beter gaat.
In die maanden ontdek ik Aerosmith en ik val meteen voor Steven Tyler. Hele schriften schrijf ik vol met verhalen over concerten die ik bezoek en waarbij altijd iets bijzonders gebeurt waardoor ik de gelegenheid heb hem te ontmoeten. Ik zie onder ogen dat het onzin is, totaal belachelijk gefantaseer, maar ik heb het op dat moment nodig; het zou zelfs kunnen dat Steven Tyler in die maanden mijn leven heeft gered. |
|
|
 |
 Leliegeur
Gedichten
|
10 Maart 2011 | 22:10:21
 |
geef acht, het is al laat, het spookuur
heeft geslagen. slechts de tragen
van begrip dolen nog rond. je telt
wat er te tellen valt aan afgedwaalde
schapen en je doet je stil gebed.
wat je bidt laat onverlet waarover
je wilt zwijgen: lelievrouwen nijgen,
dekken je nog net niet toe. in hun
glimlachkelken ligt waar je het al
voor doet: je ent hen jouw illusie
van bevrijding in het hart. vader
is hoe ze je noemen maar veel
nader nog is hoe je hen verwacht.
aangeraakt zijn ze welhaast nog
mooier; schoonheid is niet zelden
schoner wanneer zij omgeven is
door iets van jouw geheim. hen is
je van leliegeur doortrokken lach
gewijd, als je opstaat na een haast
ootmoedig amen - hen en de moord
op je verloren schapen.
|
|
|
 |
 Glimlach
Flarden
|
07 Maart 2011 | 17:55:59
 |
Het ergste wat je tegen de gemiddelde gelovige kunt roepen is: "Er is uiteindelijk maar één God, of je Hem nu Allah, Jezus, of voor mijn part Zijn noemt." Doorgaans staan dezulken dan meteen op hun achterste benen want hun identiteit is alles, heilig, en zonder hun identiteit blijven ze nergens - wat ook wel weer te begrijpen is als je er je bestaansrecht aan ontleent. En bovendien, een dergelijke identiteit bestaat ook nog eens bij gratie van het zich onderscheiden van 'de rest', wat ook overduidelijk de bedoeling van het geheel is aangezien de Bijbel reeds zegt: "Maar gij geheel anders." (Efeze 4:20)
Meteen ongeveer de belangrijkste reden waarom ik al zo'n tien jaar religieloos door het leven ga en ook voornemens ben dat te blijven doen. Ik heb geen enkele behoefte me te onderscheiden anders dan door mezelf (= mijn identiteit) te zijn, al helemaal niet door een religie aan te hangen, en als ik me ergens niet druk om maak is het om het veronderstelde hiernamaals. De ziel, die kwikzilverachtige plek ergens onder het borstbeen waar de inspiratie vandaan komt, lijkt me evenwel te schitterend uniek om bij de lichamelijke dood verloren te gaan, dus ik ga ervan uit dat hij zich op het moment van mijn dood aan een ander vanaf dat moment levend wezen hecht.
Of ik, zoals ik tot en met de dag van mijn dood heb bestaan, me vervolgens bij een Opperwezen zal moeten verantwoorden voor het feit of ik al dan niet volgens Zijn wil heb geleefd, dat lijkt me niet waarschijnlijk. Wat niet wil zeggen dat ik niet geloof in iets dat in de buurt van karma komt; de nieuwe bestemming van mijn ziel zal ongetwijfeld afhangen van hoe en wie ik bij leven ben geweest - en ik weet donders goed hoe en wie ik dien te zijn. Daar heb ik in het geheel geen Boek voor nodig, dat blijkt vanzelf uit de interactie tussen mij en het grotere geheel, mijn geweten, de natuur. Is datgene waarmee ik interactie voer onverhoopt toch niemand anders dan God Zelf, dan communiceert Hij kennelijk ook met religielozen, wat ook in tweede instantie het hebben van een religie overbodig maakt.
Vanochtend vroeg ben ik met dit schrijfsel begonnen naar aanleiding van een ander schrijfsel dat me onverwacht ontroerde en deed glimlachen. Geen spotglimlach, meer de soort zachtedekenglimlach die al op je gezicht zit voor je er erg in hebt als je iets leest waarvan je denkt: dat is mooi, dat schuift zich prachtig onder de alledaagse toestanden terwijl het het geheel tegelijkertijd van bovenaf beziet. Dat is behoorlijk knap en aangenaam om te lezen. Terwijl ik dat schrijfsel las, lukte het me nog maar net om niet hardop "er is uiteindelijk maar één God" te zeggen. Want de mening van deze dame komt toch wel heel erg veel overeen met die van de helaas niet al te talrijke christenen die ook in staat zijn kritisch tegenover zichzelf, hun religie en hun mede-religieuzen te staan, en er komen bovendien -hoogstwaarschijnlijk onbedoeld- een aantal zinsneden in voor die rechtstreeks aan de Bijbel konden zijn ontleend.
De zin van "religie (in dit geval de Islam) = bevrijding" waarmee het artikel begint, ontgaat me weliswaar tot nog toe aangezien ik geen flauw idee heb op welke manier een religie noodzakelijk is voor het tot stand komen van bevrijding. Ik geloof wel dat een mens een hoop bevrijding nodig heeft; bevrijding van vooroordelen, gedachtepatronen, niet-constructieve gewoontes en ontelbaar veel innerlijke zaken die tot je-ongelukkig-voelen, depressies of erger kunnen leiden. Ik geloof echter ook dat een mens ter wereld komt zonder al deze kwalijkheden op zijn psychische kerfstok. Invloeden van buitenaf en de menselijke aanleg om deze invloeden te annexeren (wat wel eens de kern van het begrip 'zonde' zou kunnen zijn) maken de mens vervolgens tot een wezen dat bevrijding nodig heeft. Of daar een God voor nodig is, is wat mij betreft nog maar de vraag. Met ontzettend eerlijk naar jezelf toe zijn en met meer lef dan je jezelf ooit toedichtte de kwalijke gedachten en gewoontes de nek omdraaien, kom je volgens mij al een heel eind. Daarbij zijn hulpmiddelen, richtingaanwijzers en dergelijke natuurlijk meer dan welkom, en als zo'n hulpmiddel toevallig Koran of Bijbel heet lijkt me dat prima, maar het zijn en blijven slechts hulpmiddelen.
In de stelling dat de Islam, en daarbij zeker ook het christendom, bevrijding nodig heeft van 'zogenaamde belijders en onzekere critici die niks anders zijn dan een lege huls met een kort lontje' kan ik me dan wel weer helemaal vinden. Het feit dat deze religies door de eeuwen heen door buitenstaanders worden gerelateerd aan oorlog op mondiaal of minuscuul niveau zegt al genoeg, hoewel ze tot op heden nog steeds niet aan zichzelf ten onder zijn gegaan. Hoezeer ik me ook heb gedistantieerd van het praktiserend christendom, of misschien wel juist daarom, ik kan zo een paar uur jankerig zijn vanwege het feit dat al die strijders in naam van God, Allah of wie dan ook niet lijken te beseffen wat ik in het artikel van mevrouw Azalam lees en wat de Bijbel omschrijft als: "Niet door kracht, noch door geweld, maar door Mijn Geest zal het geschieden." (Zacharia 4:6).
"Onvoorwaardelijkheid", lees ik dan, "is de KERN van de Islam." Dat is ten eerste mooi en ten tweede ook de kern van het christendom, al vraag ik me op mijn beurt eveneens af hoeveel christenen echt weten wat dat is, onvoorwaardelijkheid. Wat mij betreft is het de attitude waarmee Esther het waagde koning Ahasveros onder ogen te komen: "Kom ik om dan kom ik om". (Esther 4:16). En tegelijkertijd moet ik toegeven dat ik het ook in deze weer buiten een religie om heb gevonden: onvoorwaardelijkheid is in het dagelijks leven immers niets anders dan loslaten in het algemeen, en met name het loslaten van controlefreakerig gedrag, van ongunstige gewoontes en van de kromme gedachte dat er eerst 'iets groots' moet gebeuren alvorens je klaar bent voor 'je eigenlijke bestemming' op aarde. Onvoorwaardelijkheid is je met je hele hebben en houden overgeven aan het huidige moment, aan het nu, "kom ik om dan kom ik om". En geloof me, men komt geenszins om... men wordt netjes opgevangen door niemand minder dan het leven zelf.
"Onvoorwaardelijkheid" versus "het denken aan de beloning in het hiernamaals" is een verhaal apart. Ik neig ernaar te denken dat dat laatste onder belijders van de Islam wel eens meer gemeengoed zou kunnen zijn dan onder de christenen. Dit met name omdat er onder de christenen een merkwaardige tweesplitsing bestaat tussen de Rooms-Katholieken ('hoe meer goede werken, hoe groter de kans op niet of maar kort in het 'vagevuur'') en de (meeste) Protestanten ('alle goede werken ten spijt, men wordt slechts 'uit genade zalig'').
Iemand zei eens tegen me: "Al zou ik voor eeuwig moeten branden in de hel, dan nog zou ik mijn leven lang God dienen." Dat is voorzeker een geval van onvoorwaardelijkheid dat me boven de pet gaat en alleen daarom in eerste instantie al bewondering verdient, mocht ik ervan overtuigd zijn dat een dergelijke houding ergens toe leidt. Neemt niet weg dat ik het toejuich dat mevrouw Avalam schrijft:
"De hele dag in de moskee vertoeven en dag en nacht bidden, van top tot teen als een angstaanjagende spook door de straten van Amsterdam zwieren, als een behaarde stijve hark gewapend met de heilige Quran onder je arm lopen maakt je nog geen onvoorwaardelijk belijdende moslim."
Ook iets dat veel christenen wel eens wat meer ter harte mochten nemen alvorens ze hun mening klaar hebben over vrouwen zonder lange rokken, zonder lang haar, met make-up et cetera - dan was ondergetekende bovendien vast niet van de catechisatieles getrapt wegens ook nog eens nauwelijks zichtbare mascara. Zoals mevrouw Azalam schrijft: "Ik draag de "hijab" om mijn hart", zo sprak Jezus tot de farizeeërs die ruzieden over of de besnijdenis nog wel "in de mode' is: "Wat gij nodig hebt is de besnijdenis des harten."
(Frappant, al schrijvend begin ik te durven concluderen dat mijn 'ik maak me niet druk om het hiernamaals' ook wel eens een afgeleide van onvoorwaardelijkheid zou kunnen zijn. Want heus, mocht mij een straf of een niet-beloning wachten voor niets anders dan het feit dat ik, weliswaar zonder religie, zo eerlijk mogelijk naar mezelf en anderen ben geweest en heb geluisterd naar de glashelderheid vanbinnen die ieder mens bezit en die onmogelijk liegen kan, dan zal ik mezelf een eeuwigheid lang niets verwijten.)
Of iedere gelovige in staat is tot wat mevrouw Azalam 'de innerlijke Jihad' noemt en wat ik liever 'onversneden zelfreflectie' zou willen noemen, hangt mijns inziens niet alleen af van de mate waarin iemand gelovig is. Ik denk dat vrouwen, en dan voornamelijk vrouwen die zowel qua IQ als qua EQ hoog scoren, hier het meest in het voordeel zijn; zij zijn nu eenmaal vatbaarder voor de emotionele kant en kunnen daar vanwege hun intelligentie ook sneller iets constructiefs mee aanvangen. Karakter en intelligentie spelen een grote rol in het constateren en overwinnen van eventuele innerlijke onoprechtheid; tegelijkertijd is het ook weer kinderlijk eenvoudig: niet bang zijn voor wat je wellicht gaat aantreffen want daar wordt het nu eenmaal niet beter, kleiner of minder aanwezig door. Het is vooral het puinruimen dat tijd kost en vermoeiend is, temeer daar er al puinruimend soms ook nog eens nieuw puin ontstaat. Maar eerlijkheid heeft nog steeds de langste adem.
Lees ik intussen op twitter ook nog een discussie naar aanleiding van hetzelfde artikel over gevoel versus kennis, dus nu ik toch bezig ben neem ik dat meteen maar mee. :)
De oudtestamentische profeet Hosea zegt reeds: "Mijn volk gaat verloren omdat het geen kennis heeft" (Hosea 4:6) en in het Nieuwe Testament staat: "Doet aan de gehele wapenrusting Gods, opdat gij kunt staan tegen de listige omleidingen des duivels" (Efeze 6:11 e.v.).
Hoezeer het ook 'in' mag zijn om louter op gevoel te varen, de kennis die voorhanden is lijkt me voor gelovigen van levensbelang; niet alleen om exact te weten wat het Opperwezen welgevallig is maar ook om tegenover 'de buitenwereld' niet als onwetende door de mand te vallen.
Wat het gevoel betreft, daarin schuilt het gevaar van het zo ontzettend onder de bekoring raken van alles wat 'verheven' is, dat de emoties de overhand krijgen en vervolgens worden aangezien voor basis het geloof. In de bevindelijk-gereformeerde kringen waar ik vandaan kom heb ik dit niet zelden zien gebeuren; het was zelfs zo erg dat wanneer iemand tijdens de prediking om wat voor reden dan ook moest huilen, hij of zij vanwege dat huilen als 'bekeerd' werd beschouwd.
Ik zou het met alle eerbied zo willen stellen: kennis alleen is als een verstandshuwelijk; gevoel alleen is als een one-night-stand; kennis én gevoel zijn ingrediënten voor een goede relatie.
Ten slotte: zoals veel moslims en christenen zich voortdurend richten op de dood en het hiernamaals met niet zelden alle extremiteiten van dien, zo is ieder mens, gelovig of niet, geneigd zich te richten op een Beter Ooit. Zeg 'ik leef voor de toekomst' en vrijwel iedereen vindt je een geweldig positief ingesteld mens. Maar de toekomst, en eigenlijk ook de hemel, het walhalla of hoe men het ook wil noemen, zijn immers niet meer dan loze concepten die we slechts vanuit het heden kunnen bezien; zelfs degenen die beweren 'een voorproefje van de hemel' te hebben ervaren, ervoeren dit nog steeds in het heden. Het heden is nu eenmaal het enige wat we ooit zullen hebben en daarom sluit ik me nogmaals aan bij mevrouw Azalam door te stellen dat het leven ons niet is geschonken om ons constant op de dood te richten. Het leven is er simpelweg om geleefd te worden, om zo goed mogelijk geleefd te worden, religie of geen religie.
(Het is inmiddels uren later en dit schrijfsel is minstens drie keer langer dan voorzien maar de glimlach is er nog steeds; gewoon omdat het al met al toch best fantastisch is om het om haast tegenovergestelde redenen grotendeels met iemand eens te zijn. :) )
|
|
|
 |
 Psalm 81
Spiegelschrift
|
06 Maart 2011 | 23:54:58
 |
Hits, rages en aanverwante verschijnselen heb je overal dus ook onder de psalmen. Behalve psalmen die we bij bepaalde gelegenheden vrijwel altijd moesten zingen, bijvoorbeeld psalm 90 als er iemand overleden was, waren er ook psalmen die zonder reden veel vaker dan gemiddeld voorbij kwamen, waarschijnlijk gewoon omdat ze lekker in het gehoor lagen. Daarnaast had je een aantal psalmen, minstens een stuk of vier, die als eerste aan kleine kinderen werd geleerd. Want hoe je het ook wendt of keert, bij drie- en vierjarigen met de te verpletteren kinderkens uit psalm 137 komen aandragen, dat doe je gewoon niet.
Eén van die kinderhits onder de psalmen was psalm 81 en dan met name vers 12:
Opent uwen mond
Eist van Mij vrijmoedig
Op Mijn trouw verbond
Al wat u ontbreekt
Schenk ik zo gij 't smeekt
Mild en overvloedig
Als je dat vers in de klas wilde zingen, zei je trouwens niet "Psalm 81 vers 12" maar gewoon "Opent uwen mond".
Er was een jongen, Gert-Jan, die wilde echt altijd 'Opent uwen mond'. Juffrouw Bos kon het hem net zo goed niet vragen, het was toch altijd 'Opent uwen mond'. Wat er geworden is van iemand die altijd 'Opent uwe mond' wilde, dat vraag ik me nu, zo'n vijfentwintig jaar later, wel eens af.
Ook vers 1 van die psalm was redelijk populair, maar met de eerste regel ervan ging ik meteen al de mist in:
Zingt nu blij te moê
't Machtig Opperwezen
Enen lofzang toe
Het accent circonflexe ten spijt klonk moê nog steeds als moe, dus had ik weer eens al mijn creativiteit nodig om er wat van te maken: als je eigenlijk te moe bent maar desondanks nog steeds het Opperwezen een lofzang toezingt, moet je wel heel erg blij zijn!
Die twee verzen waren dus razend populair. Ik kende ze binnen no-time van buiten, lang voor ik naar groep 2 ging, en zoals met alle dingen die op enig moment geen uitdaging meer vormden, vond ik er niets meer aan. Dat 'Opent uwen mond' kon ik honderd keer achter elkaar zingen maar ik kreeg er gewoon geen kick meer van, waardeloos dus. En terwijl mijn klasgenootjes geen genoeg konden krijgen van 'Opent uwen mond', leerde ik stiekem de vrijwel nooit gezongen en dus behoorlijk gewichtige andere verzen van die psalm uit mijn hoofd.
Vers 8 bijvoorbeeld, dat zongen we nooit en dat begreep ik ook wel want er was zelden tot nooit een reden om zo'n losse flard geschiedenis ten gehore te brengen:
'k Nam te Meriba
Proef van uw vertrouwen
Of g' op Mijn genâ
In uw tegenheên
Op Mijn Naam alleen
En Mijn woord zoudt bouwen
Om precies te zijn ging het niet alleen om Meriba, het waren de plaatsen Massa en Meriba waar het gebeurde. Deze plaatsen werden zo genoemd omdat het volk Israel daar met z'n allen aan het twijfelen sloeg over de aanwezigheid van God en zich vervolgens tegen Mozes keerden. ('Meriba' betekent in het Hebreeuws 'ruzie', 'rebellie' of 'verwijt'; 'Massa' betekent 'beproeving').
Ik begreep dat ''k Nam te Massa en Meriba' bij lange na niet in die regel paste en met alleen ''k Nam te Massa' kwam je weer een lettergrijp te kort; daarom moest er voor alleen Meriba zijn gekozen. Overigens komt Meriba nog in één andere psalm voor, psalm 95 vers 5, en daar is het bovendien qua lettergrepen ook gelukt om Massa te vermelden:
Verhardt u niet, neemt Zijn genâ
Ootmoedig aan, laat Meriba
Laat Massa u ten afschrik wezen
Waar 'k door uw vaders ben verzocht
Toen alles wat Mijn almacht wrocht
Hen niet bewoog om Mij te vrezen
Die geschiedenis van Massa en Meriba vond ik nogal interessant. Dat volk Israel, daar was eigenlijk geen land mee te bezeilen, vond ik, wispelturig tot en met en daarbij ondankbaar, kleingelovig, uitermate kort van geheugen en bovenal dom. Wat was er namelijk aan de hand: het onvoorstelbare had zich voltrokken, de Israëlieten waren bezig aan hun uittocht uit Egypte. Ze hadden pas een maand van hun uiteindelijk drie jaren durende tocht achter de rug en het zat hen op dat moment niet bepaald mee. In de woestijn Sin, ten oosten van de Golf van Suez, was geen druppel water te bekennen en iedereen verging van de dorst. Het volk kwam massaal in opstand tegen hun leider Mozes en riep dingen als: "Heb je ons daarvoor uit Egypte geleid, zodat wij en onze kinderen en ons vee hier van dorst omkomen?" En behalve dat begonnen ze onderling te fluisteren: "Is God er eigenlijk wel, of eigenlijk stiekem helemaal niet?"
Mozes was al snel ten einde raad dus hij riep tot God: "Wat moet ik aan met dit volk? Nog even en ze stenigen me!"
God zou God niet zijn als Hij niet met een oplossing zou komen; Hij gebood Mozes op een rots te slaan en er kwam vervolgens zomaar water uit, genoeg voor heel het volk! Het volk dat één Bijbeltekst later overigens meteen al weer in oorlog raakt met de Amalekieten, maar dat had niets met Massa en Meriba te maken nam ik aan. Hoewel indirect misschien toch wel!, want in psalm 81 vers 11 staat:
Ik, ik ben de Heer
'k Ben uw God die heilig
IJver voor Mijn eer!
'IJver' was wederom een woord waar mijn kleuterverstand zich geen raad mee wist. Als je deed wat je werd opgedragen en dat ook nog eens goed en binnen de tijd, dan was je ijverig te noemen. Van iemand die zich aldus gedraagt is met een beetje goede wil te zeggen dat hij aan het ijveren is. Maar dit kon niet de bedoeling zijn van vers 11; er is immers niemand die de Heer tot ijveren kan aanzetten aangezien er niemand hoger, groter of almachtiger is dan Hij!
Het geval wilde dat een aanzienlijke meerderheid met dit woord worstelde, dus heel de gemeente kreeg vanaf de kansel een verhandeling over de ijver Gods voorgeschoteld. Die ijver betekende eigenlijk 'naijver', en juist toen ik bedacht dat ijver achteraf totaal nutteloos is, vertelde dominee Verheijst dat naijver hetzelfde is als jaloezie. En ook weer geen gemene groene jaloezie, meer het soort warmgloeiende jaloezie dat je kunt voelen als iemand iets briljants heeft gezegd of gedaan. Dat klonk in ieder geval bekend; zowel Exodus 20 als Deuteronomium 4 meldt dat God een jaloers God is. In het onderhavige geval zou je kunnen zeggen dat Zijn eer Hem zo lief is dat Hij niet wil dat iemand anders ermee strijkt of hem in twijfel trekt zoals dat volk bij Massa en Meriba. Om dat te voorkomen, zou het toch best eens kunnen dat er een beetje ijverigheid aan te pas moet komen, bedacht ik, en zo had ik het cirkeltje weer rond.
Helaas gaat het na 'Opent uwen mond' qua inhoud niet goed met psalm 81. Het dertiende vers begint met:
Maar Mijn volk wou niet
Naar Mijn stemme horen
waarna God hen naar hun goeddunken liet handelen en, zo zegt vers 14, het boos geslacht naar de keuze van hun dwaze ziel liet wandelen.
De psalm eindigt met een monoloog van Godswege, waarin Hij Zich voorstelt hoe het allemaal gelopen zou zijn als Zijn volk wél naar Zijn stemme had willen horen. Hij had:
- hun haters verslonden (ras en geheel);
- hun tegenstanders Zijn geduchte hand doen ondervinden;
- hun tijd, van smart bevrijd, eeuwig laten zijn;
- tot hun spijs vette tarwe laten groeien; en ten slotte: geen water maar
- honingbeken uit de rotsen laten vloeien.
Zo heeft het echter niet mogen zijn, en zo is het heden ten dage nog steeds niet.
|
|
|
 |
 Psalm 137
Spiegelschrift
|
04 Maart 2011 | 23:17:08
 |
Het eerst deel van het Oude Testament boeide me als kind maar matig. Goedbeschouwd zijn een schepping, een zondvloed en een volksverhuizing naar Egypte en weer terug ook geen bijster sensationele gebeurtenissen; geslachtsregisters en spijswetten zijn zelfs ronduit vervelend. De boeken Richteren en I en II Koningen bevielen me al stukken beter, voornamelijk vanwege het geweld en de bloederigheden die er in worden beschreven - hoewel je dat op een gegeven moment ook weer zat wordt.
Een liefelijke uitzondering op alle vermeldingen van het aantal 'geslagenen', Bijbels eufemisme voor vermoorde personen, vormen de psalmen*. Dat is ook wel te begrijpen; gewelddadig of zelfs maar boos zingen lukt nu eenmaal niet zo goed. Rappen komt al wat meer in de richting maar in de tijd van de Bijbel bestonden er nog geen rappers. Of, geheel niet uit te sluiten, er werd slechts in het diepste geheim gerapt.
Uitzonderingen zijn er echter ook. Voor een compleet offensief op rijm kunt u terecht bij psalm 106; voor wat kleiner maar niet minder venijnig geweld bij psalm 137, waar het laatste vers eindigt met:
Gelukkig hij, die u terneer zal slaan
Uw kinderkens zal grijpen, o gij trotsen
En wredelijk verpletteren aan de rotsen
Dominee Verheijst had daar de volgende verklaring voor: die kinderkens, dat zijn de zonden die wij met ons verduisterde verstand 'kleine zonden' noemen. Leugentjes om bestwil en zo. Dat soort dingen moet bij de lurven worden gegrepen en te pletter worden geslagen op... de rots des geloofs die Jezus heet!
Wie dat voor het eerst op die manier uitgelegd hoorde, schoot geheid in tranen vanwege de wonderschone beeldspraak. Wie echter even nuchter nadacht over de praktische kant van de metafoor, stuitte toch al snel op een aantal vragen. Bijvoorbeeld: die kleinezondenlijkjes, moet je daar nog wat mee? Begraven, verbranden, vervloeken? Want zomaar bij die rots laten liggen is ook een beetje gek en bovendien net als afval op straat gooien niet netjes. En: doet het de rots Jezus geen pijn als je die zonden, hoe klein ze ook mogen zijn, tegen hem aan smijt? Want smijten van jewelste moet je zeker, anders lukt het je nooit om ze wredelijk te verpletteren. En ook: hoe gaat het als geheel in godsnaam in z'n werk?
Immers, als er iets aan wedergeboorte onderhevig is zijn het wel slechte gewoonten, die vanwege hun verraderlijke onbenulligheid ongetwijfeld ook tot de kleine zonden behoren. Je kunt ze in een vlaag van levensverbeteringsdrang verrot smijten; voor je het weet fluistert de slang toch weer hetzelfde liedje in je oor en redeneer je de hele boel voor jezelf weer recht. Dan ben je dus weer terug bij af en heb je niets meer aan je heldhaftigheden van voorheen. Uiteindelijk behoorlijk hopeloos, dat hele wredelijk verpletteren. Nog iets verder doorredenerend en je komt op algehele zelfmoord uit en dat is ook vast weer niet de bedoeling van de psalm. Ordinair kill your darlings kon nog wel eens het dichtst in de buurt komen.
Voor het overige is psalm 137 trouwens behoorlijk sfeervol in de goede zin des woords; weinig psalmen met zoveel Oosterse vibes. Er was op dat moment namelijk weer eens iets te doen over landgrenzen en macht. De hele meute uit Zuid-Israël, destijds nog het koninkrijk Juda genaamd, werd door de Babyloniërs, de latere Irakezen, als ballingen over de Eufraat en de Tigris gevoerd. ('ballingschap', ontegenzeglijk een Hezbollah-woord vond ik als kind). Daar werd dat hele volk zo ongeveer massaal depressief, waarna enkele creatievelingen psalm 137 componeerden:
Wij zaten neer, wij weenden langs de zomen
Van Babylons wijd uitgebreide stromen
Elk stortte daar zijn bittere jammerklacht
Als hij met smart aan 't heilig Sion dacht
Elk, wars van vreugd en vrolijke gezangen
Liet daar zijn harp aan sombere wilgen hangen
Men merke op dat de ballingen in den vreemde op het alleronverwachtst nog lotgenoten troffen: wilgen die al even somber waren als zij! Het gezegde van iets aan de wilgen hangen omdat je er geen heil meer in ziet, ken ik op dat moment nog niet. Ik zie dat volk daar zitten, be-arafatsjaald en wel, aan de oever van het slootje dat de Tigris in mijn verbeelding was. Het weer is somber; de lucht is grijs en het waait koud, de wilgen zwiepen. Daar zit dat volk te treuren van heimwee naar Sion, de heilige berg in Jeruzalem waarop koning David ligt begraven, het Laatste Avondmaal plaatsvond en nog zo wat dingen. Treuren en treuren en de verwachting is ook dat het niet snel over gaat, want een paar regels verder wordt gezongen:
Jeruzalem, dat, zo ik u vergete
Mijn rechterhand niet van zichzelve wete!
Deze regels worden omgeven door jammerklachten (Hoe zou, zei elk, ons die in rampen zwoegen // In 't vreemd gewest een lied des Heeren voegen?) en ook nog door een paar regels waar ik het als vier-, vijfjarige onbegrijpelijk te kwaad mee had:
De vijand dorst, bij al ons leed, ons tergen
't Gevangen volk, in zijne jammeren, vergen,
Dat elk zijn hart, schoon overstelpt, bedwong.
Heel goed mogelijk dat zelfs de gemiddelde volwassene nog verzuipt in deze kommazee. Maar behalve dat zijn er twee woorden die ik met veel fantasie nog maar net kon duiden.
Ten eerste heeft de vijand, zo las ik, dorst. Die dorst heeft hij bij ons leed en ons tergen. Ik stelde me zo voor dat die vijand zo intensief aan het vijandelijkheden betrachten is dat hij van de weeromstuit vergeet te drinken. Het is echter nog steeds de vijand dus medelijden met zijn dorst hoef je niet te hebben. Hoe het vervolgens afloopt met die dorst, of er tenslotte toch wat wordt gedronken of dat de vijand misschien wel flauwvalt van de dorst, daar rept die psalm dan weer niet over. Eigenaardige onaffe regels waar ik niet veel meer mee kon dan ze voor kennisgeving aannemen aangezien ik de strekking ervan in ieder geval meende te begrijpen.
Moeilijker had ik het met woord schoon. Dat woord kwam ik veel vaker tegen, met name in het kindergebedje dat eindigt met: 'schoon mijn zonde vele zijn, maak om Jezus' wil mij rein.'
Ik ging er maar van uit dat het betekent dat de zonde schoongemaakt moet worden want zonde is immers vuil; ze komen voort uit het menselijk hart dat in een andere psalm wordt beschreven als 'vuile bron van alle wanbedrijven'. Kan wel wat schonigheid gebruiken dus. Maar als je 'schoon mijn zonde' leest als: 'schoon alstublieft mijn zonde' klinkt het daarop volgende 'vele zijn' weer nergens naar. Mijn conclusie was uiteindelijk dat het een kromme zin is die op deze manier is geformuleerd om 'zijn' te laten rijmen op 'rein'.
Hier, in psalm 137, komt dat schoon ook weer langs en mijns inziens was daar iets positiefs aan de hand. Het volk is weliswaar gevangen en het jammert, maar het hart is overstelpt... en niet zomaar overstelpt, schoon overstelpt! Overstelpt met schoonheid dus. Dat is toch maar mooi meegenomen in dat land van Meden en Perzen, vond ik.
Een stukje na het midden van de psalm vindt iets merkwaardigs plaats: het verschijnsel dat de ene vijand zomaar opeens in een vriend kan veranderen als zich een gezamenlijke andere vijand aandient. Het treurende volk zingt:
Gedenk, o Heer, gedenk aan d'Edomieten!
Die Edomieten, dat zijn de afstammelingen van Ezau, de oudere broer van Jacob. 'Ezau' is op allerlei manieren verwant met 'rood'; Ezau schijnt rossig haar te hebben gehad, wilde zijn eerstgeboorterecht verkopen voor een kop rode linzensoep en zijn afstammelingen belandden uiteindelijk in de bergen van roodachtige zandsteen in het gebied ten zuiden van de Dode Zee. Jacobs naam werd op enig moment door God Zelf veranderd in Israel en zo slecht als Jacob en Ezau elkaar konden uitstaan, zo slecht konden de Israelieten en de Edomieten met elkaar overweg. Dit alles was opeens niet heel erg belangrijk meer toen de Babyloniërs in opdracht van Nebukadnezar II kwamen opdagen en na verloop van tijd kon er bij Israel zelfs een smeekbede voor Edom af; zo zie je dus maar weer hoe het kan lopen.
Na die smeekbede is er eigenlijk niet veel meer te merken van het lijdelijk neerzitten langs de zomen van 't ontvoerde volk; er worden niet mis te verstane verwensingen geuit:
O Babylon, wij zien eerlang uw straffen
Gelukkig hij, die u zal loon verschaffen
Die u vergeldt al wat gij ons hebt misdaan!
En dan volgen dus de regels van die wredelijk te verpletteren kinderkens.
De wonderschone metafoor der kleine zonden geheel ten spijt: in deze context is het niet meer dan aannemelijk dat er in de meest letterlijke zin des woords kinderen tegen de rotsen verpletterd dienen te worden. Zodat de Babyloniërs uiteindelijk zullen uitsterven, zodat ze de Israëlieten niet meer in ballingschap kunnen houden. Voorwaar creatief en voorzeker een heldhaftig streven.
*berijming 1773
|
|
|
 |
 In godsnaam
Zout op perkament
|
28 Februari 2011 | 21:59:30
 |
Zo slecht als Marleentje eet, zo slecht slaap ik. Ik lig nog geen minuut in bed of ik voel de aanwezigheid van monsters, spoken en geesten. Ze zitten onder mijn bed, in de kast, eigenlijk overal waar mijn blik niet kan komen. Angstzweet over mijn hele lichaam en dan kun je slapen wel vergeten. Met meer vertoon van moed dan ik in werkelijkheid bezit, ga ik uiteindelijk op onderzoek uit. Ik open kasten en laden en slaak daarbij acuut een kreet alvorens ik constateer dat er niets te zien is. Dit doe ik soms wel vijfmaal opnieuw en tegen de tijd dat ik zeven ben, moet niet alleen mijn slaapkamer maar ook de rest van de bovenverdieping er aan geloven. Op ijskoude voeten sluip ik door de vertrekken om kasten en laden te controleren op boosaardige wezens. Bij het minste gerucht van beneden schiet ik zo snel en zo zacht mogelijk mijn slaapkamer in, om weer tevoorschijn te komen als de kust veilig is. Om gek van te worden. Elke dag zie ik halverwege de middag al weer op tegen dat hele ritueel.
Het zal niemand verbazen dat ik nooit een monster, spook of geest aantref, maar wat ik wél zie jaagt me minstens zoveel angst aan. Liggend in het donker zie ik hele kuddes rode cirkels van linksboven naar rechtsonder zakken. Op bedhoogte verdwijnen ze, om weer van linksboven af aan te beginnen, enzovoorts. Ook zie ik niet zelden iets wat me doet denken aan de vuurkolom die de Israëlieten begeleidde vanuit Egypte door de Sinaï-woestijn: een wolk van knalroze en zwarte vlekken die zonder patroon of regelmaat langs het plafond trekt.
Er is nog een derde verschijnsel maar dat wijt ik aan het te snel met mijn ogen knipperen: korte, bliksemachtige lichtflitsen. Ik moet toegeven dat ik ze ook wel eens zie als ik in het geheel niet met mijn ogen knipper maar daar denk ik maar liever niet te veel over na; het feit dat ik voor in ieder geval één van de fenomenen een soort verklaring heb, stelt me een klein beetje gerust.
Uren en uren lig ik wakker, luisterend naar de stilte die, als je er lang genoeg naar luistert, vanzelf overgaat in een steeds luidere pieptoon waarin ik soms zelfs woorden meen te horen, met name dreigementen: dood, hel, verdoemenis, eeuwige wroeging.
Ook luister ik naar de wasmachine die papa drie keer per week om één uur 's nachts aanzet en die in de bijkeuken pal onder mijn slaapkamer staat. Ik weet onderhand precies wanneer het ding gaat spoelen, wassen, weer spoelen, en dan het ergste van alles: centrifugeren. Daar ben ik met name bang voor omdat het zo allemachtig veel herrie maakt dat ik eventuele andere geluiden niet meer hoor, wat geenszins betekent dat ze er niet zijn. Het is altijd weer een opluchting als die wasmachine klaar is met z'n gedoe. Vaak val ik daarna ook wel redelijk snel in slaap maar dan loopt het inmiddels al tegen half drie, zo lang doet die wasmachine er over.
Als je zoveel wakker ligt, ga je je op den duur stierlijk vervelen. Er is niet veel dat ik al wakker liggend kan doen, dus sla ik tegen het geknielde tinnen meisje dat naast me aan de muur hangt. Een hele uitdaging: precies hard genoeg slaan om haar kaarsrecht ondersteboven te krijgen zonder dat ze doorslaat of van de muur flikkert. Ik ben daar redelijk goed in, maar het behang wordt er door al dat geschuur niet fraaier op. Op een dag probeer ik het schoon te poetsen met een washandje en wat zeep, maar tot mijn schrik poets ik ook het bloemetjesmotief van het behang mee. Mama's reactie is niet mals, maar wat me nog het meest van slag brengt is het feit dat ik iets onherroepelijks heb gedaan: nooit meer zullen de bloemetjes terugkeren op de schoongepoetste plek. Zo moet het ongeveer voelen als je in de hel bent beland, maar dan erger, minstens een miljard keer erger.
Behalve dat ik tegen het knielmeisje sla, kijk ik ook naar het tegeltje aan de muur achter mijn bed dat ik van oma heb gekregen. Er staat een gedichtje op maar het is eigenlijk een versje want je kunt het ook zingen:
Hoger dan de blauwe luchten
en de sterretjes van goud
woont de Vader in de hemel
die van alle kinderen houdt.
Ook voor zieke kinderen zorgt Hij
kent hun tranen en hun pijn,
ja voor groten en voor kleinen
wil de HEER' een helper zijn.
Ik zie onder ogen dat het een nogal discutabel versje is, met name de vierde regel kan goedbeschouwd niet door de beugel. Dominee Verheijst zei het immers pas nog tijdens een doopdienst:
"Dan gaan we op kraamvisite en dan kijken we in de wieg en dan zeggen we: 'wat een lief klein kindje!' Maar wat we eigenlijk moeten zeggen is: 'daar ligt een grote zondaar!' Want de erfzonde kleeft aan ons aller ziel, reeds van het uur van onze ontvangenis af."
Het klopt dus van geen kanten dat God van alle kinderen houdt. Hij heeft hooguit een zwak voor ze omdat ze weliswaar bevlekt zijn met de erfzonde maar vanwege hun jonge leeftijd nog minder daadwerkelijke zonden op hun kerfstok hebben. En ook: kinderen zijn ontvankelijk, hebben een grote fantasie en doen nog nauwelijks aan twijfelen, wikken en wegen.
Ga je er echter dieper over nadenken dan loop je geheid vast, want ons wordt eveneens geleerd dat er voor God geen grote of kleine zonden bestaan en dat iemand voor één zonde net zo hard en net zo eindeloos moet boeten als iemand die een miljoen zonden heeft begaan. Vanuit dat oogpunt slaat het nergens op dat kinderen bij God een streepje voor zouden hebben vanwege hun verhoudingsgewijs nog ietwat schone ziel. En Jezus mag dan wel hebben gezegd: 'Laat de kinderkens tot Mij komen en en verhindert ze niet, want dezulken is het Koninkrijk de Hemelen', hij zegt ook weer niet dat die kinderkens zonder meer niet naar de hel hoeven. Eigenlijk zegt hij niet veel meer dan dat volwassen geen sta-in-de-weg moeten zijn voor kinderen die doorgaans nog 'arm van geest' ofwel nog niet genoeg intellectueel ontwikkeld zijn om het geloof in twijfel te trekken en aldus een makkelijke prooi zijn voor het Lam Gods.
Zo moet het ongeveer zitten, denk ik. Het is allemaal verrekte ingewikkeld, denk ik ook, want net als je meent dat je eindelijk een beetje door hebt hoe God redeneert, is er altijd wel weer een bijbeltekst te vinden die het tegendeel bewijst of het omgekeerde stelt.
Ik kijk naar het hoger-dan-de-blauwe-luchten-tegeltje in het schemerdonker en ik zie de lichtflitsen weer. Ik ben zeven jaar en ik weet niet meer wat ik er van moet denken. God heeft, zoveel is zeker, in de loop der eeuwen een opmerkelijke metamorfose ondergaan. De oudtestamentische dictator die de mensen haast al vóór ze de een of andere zonde begingen strafte, houdt zich sinds Maleachi zo koest als de dood. Zo nu en dan gromt en bromt hij weliswaar, dat zie je aan de oorlogen en de hongersnoden in de wereld, maar zijn daadwerkelijke reactievermogen lijkt begraven in de tuin van Jozef van Arimatea. Men meent nu dat hij zich inhoudt om vervolgens op de jongste dag die hele lading opkropte woede op de wereld te botvieren door haar brandend te laten vergaan - doch niet alvorens de verlosten in witte bruidsklederen ten hemel zijn gestegen - maar wie zegt... wie zegt me dat dat wáár is?
Ik nodig God uit tot het maken van een verbond. Ik ben het zat, ik wil bewijs. God, formuleer ik in gedachten, straf me, dood me desnoods, maar laat me zien dat U bestaat - amen.
Met mijn ogen op het tegeltje gericht open ik mijn mond.
"Godverdomme", zeg ik, en ik schrik er zo van dat ik er meteen op laat volgen: "zeggen de heidenen."
Dat is tenslotte niet meer dan een feit, dus ik zeg het nog een keer: "Godverdomme zeggen de heidenen."
Laat God zich werkelijk zo makkelijk in het ootje nemen? Er volgt in ieder geval geen enkele respons op mijn vloek en mijn hypocriete afzwakking ervan. Dan maar gewoon recht voor z'n raap:
"Godverdomme."
Geen actie van boven, geen bliksem die me komt verteren zoals dat gebeurde bij de zonen van Eli die vlees uit de tempel stalen, mijns inziens minder erg dan vloeken. En het is ook nog eens een behoorlijk erge vloek; immers vroeg ik God zojuist me te verdoemen en verdoemden moeten branden in de hel.
Nog een keer probeer ik het, maar de ontgoocheling klinkt er al in door, God is van steen en de hemel van koper en dat zal morgen wel niet anders zijn; ik kan in godsnaam maar beter gaan slapen. |
|
|
 |
 جماهيرية
Gedichten
|
26 Februari 2011 | 20:53:24
 |
dagen die geteld als schapen,
cirkel die zich langzaam sluit ~ je slaapt
nog niet maar het licht is al uit.
en buiten slaat de driekwartsmaat
van nog op rijm te zetten strijd:
you take death to new extremes
in een land dat als een zieke
kinderen en bloed opgeeft.
vechten blijf je nog want sterven
voor de spiegel staat je niet,
maar je vecht nog slechts bij gratie
van de tijd die steeds wat zwaarder
dan jij te verdrijven valt ~
tot je stukloopt als vertalers
op je jamahiriya.
|
|
|
 |
 Weerzien
Zout op perkament
|
26 Februari 2011 | 00:29:35
 |
Het is november als ik hem weerzie en het is verbazingwekkend hoe weinig hij veranderd is. Zijn haar is weliswaar grijzer geworden; het is lang niet grijs genoeg om het verstrijken van veertien jaren te rechtvaardigen. Als ik niet met mijn iPhone had lopen pielen waren we elkaar waarschijnlijk prachtig rechtop tegen het lijf gelopen. Nu is het niet meer dan een bijna-botsing tussen mij en een profiel dat ik zelfs vanuit één ooghoek herken. Die bijna-botsing leent zich niet voor het maken van een verontschuldiging, laat staan voor het aanknopen van een gesprek, maar dat is ook nooit mijn bedoeling geweest toen ik deze situatie de afgelopen jaren, voornamelijk voor de grap, zo nu en dan voorsynchroniseerde. Mijn bedoeling was en is nog steeds heel simpel: ik wil naar hem kijken als drinken.
*
Het schoolplein viel grofweg in drie groepen te verdelen: de refo's (de overgrote meerderheid die de identiteit van de scholengemeenschap hoog hield), de moderno's (jongens en meisjes die zich zo dicht mogelijk aanschurkten tegen alles wat niet-reformatorisch was) en de nerds (rare ondoorgrondelijke types die om de een of andere reden van studeren hielden en er ook zo uit zagen). Tussen de refo's en de moderno's ging het er allesbehalve vredelievend aan toe, wat ook niet verwonderlijk was als je in aanmerking nam dat beide groepen -o wereldproblematiek- hun talrijke onderlinge verschillen inzetten als wapen in hun strijd tegen uiteindelijk niets. De nerds daarentegen waren nogal pacifistisch van aard en niet eens omdat ze wereldvrede wilden promoten; ze zagen gewoon geen heil in al die opgefokte toestanden. Zowel de refo's als de moderno's lieten de nerds, zij het om heel verschillende redenen, met rust.
Ik was een nerd en dat was ik met verve. Anders dan veel leeftijdgenoten zette ik me niet af tegen de waslijst ge- en verboden die onze levens regeerden. Ik legde ze onder de loep en speurde net zolang tot ik iets had ontdekt dat zowel voor mijn bevelhebbers als voor mijzelf voldoende aanvaardbaar was. Ik kleurde niet buiten de lijntjes en ik kleurde er evenmin binnen. Ik trok lijntjes over de lijntjes: andermans bevel maar wel mijn kleur. School en kerk schreven me lange rokken voor dus ging ik welgemoed voor extreem lang. Daarbij moet ik bekennen dat ik op mijn manier ook een beetje moderno-gedrag vertoonde aangezien ik heulde met de gothic stijl, maar het waren tenslotte rokken en reken maar dat ze lang waren. Daar was dus niets zinnigs tegen in te brengen en daarbij waren mijn bevelhebbers überhaupt niet zo van de zinnigheden. Zei ik eens iets onderbouwd-kritisch dan stonden die arme gereformeerde leraren al spoedig in hun geestelijke blootje, het klamme zweet in hun ogen. Maar het lag niet in mijn aard ze uit te dagen. Ik had voor mezelf de dingen op een rijtje en vroeg of laat zou mijn tijd wel komen, daar twijfelde ik niet aan. Intussen schreef ik.
Toen gebeurde het dan toch dat een behoorlijk aantal moderno's zich tegen een nerd keerden, te weten: tegen mij. Dat had alles te maken met André, onze objectief beschouwd redelijk goed-uitziende schoolbuschauffeur. De moderno-meisjes uit de hogere klassen, zwaar opgemaakt en jaren ouder dan ik, hingen in hun minirokjes letterlijk om hem heen. Ze hingen tegen zijn stoel, zaten naast het dashboard of op de plek waarop normaliter de strippenkaarten worden afgestempeld en ze kraamden taal uit die niet eens meer dubbelzinnig was te noemen.
Ik was veertien en een nerd. Behalve kijken deed ik helemaal niets. En André keek terug. En tot onbeschrijfelijke woede en frustratie van de moderno-meisjes verkoos hij mij boven hen. En toen was de boot dus aan.
*
Om te glimlachen hoe de tijd opeens vertraagt. De gedachte dat mijn huidige leeftijd het gemiddelde is tussen hoe oud we waren toen we elkaar voor het eerst ontmoetten, probeert voet aan de grond te krijgen maar het lukt hem niet. Het is glimlachtijd zonder meer, tijd voor het soort achterafglimlach als nevel boven een weiland, berustend omdat er niets meer aan de orde is dat goed of fout kan gaan. Een situatie pur sang, haast ondanks zichzelf bestaand en daarom om te glimlachen. Ik glimlach zoals een mens kan glimlachen om overbodigheden, om in de schoot geworpen luxe of om iets onverwacht zachts, een kopje van een kitten. Wollebollezachte situatie en ik draai mijn hoofd uiterst langzaam mee met de tijd. Hij loopt door en ik constateer vaag dat ik na mijn zestiende nog centimeters gegroeid moet zijn; we zijn nagenoeg even lang.
De handelingen zijn nog identiek, hij gaat zitten, groet de mensen. Ik slenter zijn kant op. Pas over vijf minuten moet ik iets, nu ben ik vogelvrij.
Ik observeer hem van jewelste, geen te constateren feit dat me ontgaat. Hij bladert in een krant, nieuwe mensen krijgen een nauwelijkse groet. Toch iets veranderd lijkt hij nu, in zijn nieuw aangemeten vorm van groeten. Heeft hij nog iets om alert op te zijn, zoals hij alert was op mij, op waar ik was, wat ik deed, had, wilde, moest, voelde en waar ik een teveel of juist een gebrek aan had, dat vraag ik me nu af.
Met het lot is het volgende aan de hand: het is slechts te tarten zolang er iets van afhangt, zolang de kans bestaat dat de situatie een bepaalde, veelal onvoorspelbare richting op schiet als je iets doet of juist nalaat te doen. Ook dat is nu niet aan de orde. Dat bedenk ik me nu, nieuwe reden tot glimlach. Ik tart het lot dus genendeels als ik me naar zijn deur begeef waarboven Zonnehoeve staat.
"Hoi!" zeg ik en het klinkt als een typische happy-hippie-hoi; ik ben er onmiddellijk tevreden over.
"Hoi", zegt hij ook, nog steeds grotendeels in de krant.
"Ga je naar de Zonnehoeve?" vraag ik.
"Ja", zegt hij.
"Ik ga niet naar de Zonnehoeve", zeg ik met een knipoog.
Hij kijkt me aan met godbetert nog steeds dezelfde saffierblauwe ogen, trekt dan zijn wenkbrauwen op zoals hij dat pleegde te doen als ik in een van mijn ondefinieerbare stemmingen verkeerde en hij geen idee had wat hij met me moest aanvangen.
Geen teken van herkenning en ik neem het hem niet kwalijk. Naar het leven toegroeien gaat immers met veel meer verandering gepaard dan het er langzaam bij vandaan drijven, of in ieder geval is er dan nog geen volgroeidheid waaraan gerefereerd kan worden.
Ik steek mijn hand op voor er zijnerzijds verwarring kan ontstaan.
"Heb een fijne dag!" kwinkeleer ik, foeilelijk anglicistisch taalgebruik natuurlijk maar dat deert me niet.
In de bus, mijn eigen bus voor dit moment, maak ik het mezelf haast bourgondisch gemakkelijk. Ik rek me uit als een kat in het allesbehalve nauw, ongegeneerd, omdat ik het me kan permitteren, omdat ik me goedbeschouwd alles kan permitteren, omdat ik me aan de meest verkiesbare kant des levens ooit bevind en omdat ik alle tijd van de wereld heb om André Hilbrink voor de voeten te lopen, mocht ik dat willen.
|
|
|
 |
 Levenslang
Zout op perkament
|
23 Februari 2011 | 21:05:54
 |
De dag waarop ik levenslang krijg is grauw. In huis is het kil, niet alleen omdat het zomer noch winter is; ook omdat papa na een hoop lelijke woorden weer eens is weggescheurd in de LL-93-JX. Dat is inmiddels al een paar uur geleden. Mama is in de keuken, ze strijkt de was. Ik ben in de kamer en ik geloof dat ik me verveel. Nergens zin in, niks is leuk. Ik wou dat ik kon huilen want verdriet is beter dan verveling, maar dat wil niet lukken. Eén grote kille bedoening is het en ik moet maar zien hoe ik mijn draai er in vind. En die vind ik dus totaal niet vandaag.
Ik pak een kussen. Het is een walgelijk, oerlelijk ding, zeegroen met rare bruine en zwarte motieven die nergens naar lijken en die ik nooit ergens in herken. Een weerbarstig ding bovendien, niet eens lekker zacht. We hebben hem ook in het bruin met grijs en zwart maar dat kussen is zo mogelijk nog lelijker.
Weet je, nu ik er zo over nadenk zijn er eigenlijk een heleboel lelijke dingen in ons huis. Stomme dure spullen zoals glazen en vazen waar je niet aan mag komen want stel je eens voor dat ze stuk gaan, dan heb je de poppen aan 't dansen. Stom bruin leren bankstel dat ook al zo duur was dus wee je gebeente als je met je voeten tegen het leer aan komt. Stom bruin bankstel kraakt bovendien voortdurend, papa en mama mopperen er allebei op. Er zijn allerlei smeerseltjes aan te pas gekomen om de kraak eruit te krijgen maar de kraak blijft erin.
En wat hebben we nog meer, schemerlampen met kalfsleren kappen, er staat een grote naast de Grote Bank. Zo groot als dat ding is, zo makkelijk flikkert hij om. Voor dat omflikkeren is Marleentje nog vaker verantwoordelijk dan ik, maar omdat zij klein is en ik al groot krijgt zij er natuurlijk minder hard van langs.
De Grote Bank noemde ik dus al, die heet zo omdat hij groot is. Tegenover hem, echt een vreselijk eind bij hem vandaan, staat de Kleine Bank, die is één zitplaats kleiner. Daartussen staat de Lange Tafel, die is zo lang dat je, met name op verjaardagen, bijna moet schreeuwen als je vanaf de Grote Bank iets wilt zeggen tegen iemand die op de Kleine Bank zit. Boven de Lange Tafel hangt een lamp met zes lampenkapjes, allemaal van kalfsleer en met koperen uitsteeksels waar elke week wel iemand z'n kop tegen stoot. Stoten lukt ook goed tegen de asbak-op-standaard met de rare krullen. Het ding heeft gewoon te grote voeten, te lange tenen of weet ik veel wat, je valt er ieder moment over en dan maakt dat ding een ontzettende klereherrie tegen de plavuizen. Hij doet ook nog niet eens dienst als asbak, hij staat er gewoon voor de sier. Als ik me ooit eens ongelofelijk verveel, nog veel erger dan nu, zal ik een lijst maken met daarop alle dingen in ons huis die er alleen maar zijn voor de sier. Nooit ergens een huis gezien met zoveel voor de siere spullen. Praat me alleen al niet van de borden die werkelijk overal hangen en staan, stomweg voor de sier. Eentje heb ik er kapot geschopt toen ik handstand tegen de muur deed. Papa was woest en vertelde me dat dat bord 175 gulden heeft gekost. Dat vond ik stiekem nogal dwaas, wie koopt er in vredesnaam nou zulke dure borden, en dan ook nog eens alleen maar voor de sier. Maar goed, het ding was aan gruzels en ik kreeg op m'n falie. Er hangt daar nu een ander bord en de borden die op de reling boven de keukenkastjes staan, staan nu wat verder uit elkaar, het valt niet eens echt op.
Het glasservies is een verhaal apart. Het staat in de vitrinekast in de kamer. Het staat daar voortdurend geen moer uit te vreten tot er weer drie maanden van het jaar voorbij zijn en het hele spul moet worden afgewassen, tegen het stof! Al vier keer heb ik moeten afdrogen, een afgrijselijke klus. Want het zijn geen normale glazen, glaasjes, schotels, schoteltjes, vazen en vaasjes, er zit een allerafschuwelijkst fruitmotief in met miljoenen kuiltjes waar elk belletje afwasmiddelschuim zich in vastvreet, onmogelijk om af te drogen dus! (en blazen mag ik niet). Er gaan dan doorgaans wel vier of vijf theedoeken doorheen, allemaal zeiknat vanwege dat verfoeilijke glasservies-met-fruitmotief.
Goed, nu heb ik een hele lading nare dingen gezegd over ons huis en de situatie is nog steeds niet verbeterd, ik ben nog steeds strontchagrijnig. Ik merk dat ik er in de verte zelfs een beetje wanhopig van begin te worden. Ik knijp in het stomme stomme stomme rotkussen en ga er mee achter de Kleine Bank liggen. Gewoon op een hoopje op het kussen, bekijk het allemaal maar want ik vind het allemaal niet leuk meer. En dan moet ik opeens toch huilen. Niet normaal hoe ik opeens moet huilen. Het wil niet meer stoppen en ik doe er ook helemaal mijn best niet voor; eigenlijk is het niet eens vervelend om de hele boel er eens flink uit te brullen.
Mama komt kijken wat er is.
"Wat is er toch", vraagt ze, "waarom moet je zo huilen", en ik blijf maar huilen. Er wil geen woord uit, ik huil me helemaal overstuur.
"Wat is er toch", blijft mama maar vragen, "vertel me nou eens wat er is."
Niks te vertellen, wat moet ik zeggen? Dat de situatie ernaar was, want die was er maar al te zeer naar, voor wie zou willen is er hier in huis eigenlijk altijd wel een reden voor minstens een paar uur janken. Tegelijkertijd is er niets concreets, geen directe aanleiding voor mijn gehuil, dus wat kan ik meer zeggen dan "er is niks"?
Maar daar neemt mama geen genoegen mee. Ze gaat zelfs naar de keuken om de stekker van het strijkijzer uit het stopcontact te halen zodat ze zich helemaal aan mij en mijn gehuil kan wijden.
"Er is niks", zeg ik nog maar een keer, "ik moest gewoon huilen, zomaar. Er is niks."
"Natuurlijk is er wel iets", zegt mama. "Niemand huilt zomaar om niks, dus vertel nu maar wat er is."
"Er is echt niks. Ik moest gewoon huilen."
"Dat maak je mij niet wijs. Ik wil NU weten wat er met je is, vooruit!"
Het dringt tot me door dat ik ergens mee moet komen. Hoofdpijn, buikpijn, ander soort pijn? Nee, ik heb nog nooit gehuild vanwege pijn en bovendien moet ik dan vast naar de dokter die uiteraard meteen door heeft dat ik de kluit belazer. Wat dan, wat? Er wil me maar niks te binnen schieten terwijl mama steeds luider aandringt op een bekentenis, welke dan ook! En dan rest me nog maar één ding, één ding waar je nooit genoeg om kunt huilen omdat zelfs al het water van de zee ze niet kan wegwassen:
"Ik moest huilen om mijn zonden."
"Och kind toch."
Mama is opeens heel lief voor me, ze knuffelt me.
"Och kind toch, lief kind van me toch, bijzonder kind dat je er bent."
Dat blijft ze maar zeggen.
En zo jong als ik ben, weet ik dat ik zojuist mijn doodvonnis heb getekend. Want over zoiets lieg je niet. Dat doe je gewoon niet. Zelfs de grootste schurk doet dat niet.
Slechter dan dit is niet mogelijk.
Slechter dan ik heb je ze niet.
Daar ben ik van overtuigd, meer dan van wat dan ook. |
|
|
 |
 Fcku
Zout op perkament
|
21 Februari 2011 | 21:49:26
 |
Mama en ik gaan naar de bibliotheek. De bibliotheek zit in het gebouw dat vroeger dienst deed als kleuterschool van de 'kikkers', de kinderen van de Gereformeerde Gemeente. Wij, de Hervormden op Gereformeerde Grondslag, zijn de ooievaars. Niemand heeft me ooit kunnen vertellen waar dat op slaat, dat van die kikkers en die ooievaars. Het begint trouwens ook steeds meer uit de mode te raken om elkaar uit te schelden voor kikker of ooievaar, maar vroeger schijnt dat wel anders te zijn geweest. Het was zelfs zo erg dat het hoofd van de 'kikkerschool' besloot de lessen een half uur eerder te laten beginnen dan die van de 'ooievaarschool', zodat de kinderen van beide groeperingen over straat konden zonder door elkaar verrot gescholden te worden of erger.
Nu hebben de kikkers naast hun grote school een kleuterschool gebouwd en nu zit er dus een bibliotheek in het voormalige kleuterschoolgebouw.
Het is er niet erg groot. Je hebt er drie verschillende soorten boeken: de A-boeken voor kinderen tot en met zes jaar, de B-boeken voor kinderen van zes tot en met twaalf jaar en de C-boeken voor iedereen die ouder is dan twaalf. Ik mag sinds twee jaar B-boeken lezen en ik heb het er inmiddels totaal mee gehad. Sommige verhalen zijn best boeiend maar het zijn niet de verhalen die ik wil lezen, al zou ik ook niet exact kunnen zeggen welke verhalen ik dan wél wil lezen. Het enige wat ik weet is waar ik ze moet zoeken: op de C-afdeling.
Daar heb ik sinds kort wat op gevonden. De boeken die de mensen terugbrengen, worden op een grote kar gelegd en na sluitingstijd door de bibliotheekmedewerkers weer op hun plek gezet. Op die kar liggen alle boeken zomaar door elkaar, dus geen mens die het opvalt als ik een C-boek pak en er wat in blader terwijl mama speurt naar een stichtelijk boek. Of nog beter: ik zeg tegen mama dat ik ga fietsen en dan ga ik naar de bibliotheek om C-boeken te lezen. Dat doe ik regelmatig, vooral sinds ik een boek heb ontdekt dat gaat over dingen die ik nooit voor mogelijk heb gehouden. Sterker nog, het is nog nooit in me opgekomen om die dingen al dan niet voor mogelijk te houden. Dat boek heet Justine. Het is niet te geloven wat ik daar allemaal in lees! Heel vaak moet ik er, met name inwendig, van blozen. Maar hoe shockerend het allemaal ook mag zijn, ik verman me en lees door. Ik wilde immers zo graag meer weten over de geheimen van de wereldse wereld, dus nu ik die aan het ontdekken ben zou het van weinig doorzettingsvermogen getuigen als ik me als een klein kind zou gaan gedragen.
Ik denk trouwens ook niet dat het slecht is. Dat wil zeggen, het voor kennisgeving aannemen van de inhoud van dat boek kan toch onmogelijk slecht zijn. Als ik naar het journaal kijk en aldus getuige ben van een schietpartij voegt dat tenslotte ook niets toe aan de mate waarin ik zondig bezig ben. Anders wordt het natuurlijk als ik de inhoud van 'Justine' zelf zou praktiseren, maar hoewel ik voetstoots aanneem dat dit is wat wereldse mensen doen als ze zich onbespied wanen of zich in het gezelschap van louter gelijkgestemden bevinden, is niets in me ook maar geneigd zich af te vragen of ik wellicht ooit ook een soortgelijk leven ga leiden. Dat is gewoonweg uitgesloten, volstrekt niet aan de orde.
Al gauw merk ik dat de bibliotheekmedewerkers totaal niet opletten. Als 'Justine' eenmaal weer op haar plaats staat, lukt het me prima om haar terloops naar de leestafeltjes te smokkelen, waar ik haar onder een Pinkeltje-boek leg en na een paar weken uit heb. Daarna volgen andere boeken. Ik word behoorlijk goed in het lokaliseren van seksueel getinte verhalen; de titel in combinatie met de omslag zeggen vaak al genoeg. Ik lees er zo veel mogelijk en anders dan verwacht word ik er heel rustig van; ik dagdroom er flink op los waardoor de nimmer aflatende toestanden thuis me nauwelijks nog raken.
Dit speelt zich overigens allemaal af in de periode voordat de hervormingsdrang van dominee Verheijst het ook op de bibliotheek voorzien kreeg. Gelijk Jezus in de tempel keerde hij bij wijze van spreken de tafels met het geld van de wisselaars om en joeg al het te verhandelen vee het gebouw uit. Toen werd het een Christelijke Bibliotheek, en het werd mij al gauw duidelijk dat Justine niet de goedkeuring van dominee Verheijst had kunnen wegdragen. En toen heb ik me toch nog een beetje schuldig gevoeld.
Maar hoezeer dwaal ik af, want ik wil vertellen over die middag in juni '88, slechts enkele dagen voor we wonnen in München - maar daarover later meer. Mama en ik gaan naar de bibliotheek en we komen langs de fietsenstalling van mijn school. Achter de fietsenstalling is het doorgaans niet pluis. Daar staan niet zelden jongelui, nota bene van de kerk, te roken of bier te drinken. Jongens en meisjes staan daar met hun fietsen, soms zelfs met hun brommers bij elkaar en volgens mama gebeurt daar niet veel goeds. Eén keer heeft de meester van groep zes er zelfs iets ballonachtigs gevonden waarover in de hogere groepen een hoop commotie ontstond, maar daar heb ik het fijne niet van begrepen. Nu is het er gelukkig stil, want sinds Justine me van alles op de hoogte heeft gebracht, intimideert het gedrag van de jongelui me nogal eens. Hun gerook, hun gegiechel en de broeierige manier waarop ze daar rondhangen doet me denken aan de sfeer uit de boeken die ik verslind, een sfeer die ik in het echte leven toch liever wil mijden. Mijn geluk dat ik nog veel te jong ben om door een van hen te worden opgemerkt, laat staan te worden aangesproken.
De achterkant van de fietsenstalling is beklad met graffiti, een doorn in het oog van ongeveer iedereen en niemand die er achter kan komen wie er verantwoordelijk voor is. Namen van heimelijke liefdes, popgroepen en allerhande verwensingen worden er tentoongesteld. Daar overheen is recentelijk in knalrood toegevoegd: FUCK.
Dat woord leest mama.
"Kijk", zegt ze, "fuck", en nog eens: "fuck." En dan: "Weet jij wat dat is?"
Meteen sla ik vanbinnen weer hevig aan het blozen. Ik weet het niet en toch weet ik het wel want ik weet waar het mee te maken heeft: met wat ik heb gelezen in 'Justine', met wat mensen doen als ze in hun blootje zijn!
Maar dat kan ik natuurlijk niet zeggen, en ik ben ervan overtuigd dat mama geen flauw benul heeft van de betekenis van dat woord.
"Misschien is het een popster", zeg ik daarom maar - en daarmee is het gesprek al weer ten einde. |
|
|
 |
 Waarom fluister ik je naam nog
Zout op perkament
|
19 Februari 2011 | 21:02:37
 |
"Kom eens hier", zegt papa.
Ik kom, schoorvoetend als altijd. In feite vermoed ik dat er weinig voeten zijn die meer hebben geschoord dan de mijne; niet normaal hoeveel die er af schoren.
Bij papa voel ik me altijd heel slecht op mijn gemak, vooral als ik weet dat mama in de buurt is en vanuit haar ooghoeken kijkt naar hoe ik me gedraag. Maar mama is er nu niet dus de sfeer is wat minder gespannen. Het is de laatste tijd trouwens een behoorlijk rare bedoening met die sfeer en dat heeft veel te maken met de televisie. Nu papa voortdurend thuis is, staat de televisie vrijwel voortdurend aan en ik merk dat mama dat steeds minder op prijs stelt. Om zeven uur 's avonds zitten mama en ik op de bank en papa in zijn stoel voor het journaal. Vaak mag ik eventjes niet kijken want in landen als Israël, Iran en Libanon gebeuren momenteel nogal nare dingen, niet bestemd voor kinderogen. Dat vind ik prima. Ik heb de laatste tijd al genoeg angstige momenten beleefd vanwege het nieuwsbericht over een man die ergens via de schoorsteen wilde inbreken en halverwege bleef steken; minstens vier keer per week meen ik hem 's nachts te horen.
Dan is het journaal afgelopen en komen er andere programma's. Mama gaat dan zitten breien of ze probeert wat te lezen, wat dan ook, als ze maar een reden heeft om met het hoofd naar beneden te zitten zodat ze niet hoeft te zien wat er op de televisie is. Horen doet ze het natuurlijk wel en ook dat bevalt haar uiteindelijk maar slecht. Steeds vaker staat ze op en gaat ze in de keuken zitten met de kamerdeur dicht. Ik ga dan met haar mee, dat is niet meer dan vanzelfsprekend. Het feit dat wij televisie hebben is intussen heel wat minder vanzelfsprekend en met name sinds dominee Verheijst in onze gemeente staat kijken de mensen ons er op aan. Papa trekt zich daar niets van aan, hij is de laatste tijd sowieso nogal boos op de mensen in het algemeen omdat hij geen werk meer heeft. Maar mama is er gevoelig voor, dat merk ik aan alles. Ze heeft vorige week zelfs een heleboel spullen weggegooid waarvan ze opeens vond dat ze eigenlijk slecht zijn: haar oogschaduw, haar lange broeken en een hele lading boeken die niet zouden deugen. Ja, er is een hoop gaande bij ons thuis en Marleentje voelt dat ook, ze eet zo mogelijk nog minder dan normaal.
Nu roept papa me en het gaat over een cassettebandje, dat zie ik meteen. Ik weet ook meteen welk cassettebandje het is. Papa heeft de gewoonte om om de paar dagen volledig in de ban te raken van een bepaald liedje, dat draait hij dan gerust zestig keer per dag. Ik ga naast hem op de lage tafel zitten en hij drukt op de knop. We zwijgen allebei het hele liedje lang.
"Mooi hè", zegt papa met tranen in zijn ogen en hij neuriet Benny Neyman na: "Mmm mmm mmm mmm, mmm."
Ik heb geen idee wat ik daarop moet antwoorden en voel me van alle kanten bespied door onzichtbare ogen. 'Ja' zou slechts ten dele waarheidsgetrouw zijn; ik vind het liedje niet lelijk maar ik ben tegelijkertijd veel te zenuwachtig om er echt naar te luisteren en vervolgens te melden wat ik er van vind. Bovendien zou 'ja' betekenen dat ik een geheim voor mama heb - en ik hou niet van geheimen, althans niet van geheimen die maken dat ik voortdurend op mijn hoede moet zijn. 'Nee' is te abrupt, het zou een gat slaan in de delicate sfeer en ik ben geen gatenslager, dat zal ik vermoedelijk nooit worden ook.
"Mooi hè meis", zegt papa nogmaals. Een hand op mijn rug, een verbond dat zich opdringt aan mijn verwarde ziel.
"Ja", zeg ik dan maar en ik weet dat de duivel nu grijnst.
Papa veegt langs zijn ogen.
"Nog een keer?" vraagt hij en ach waarom ook niet, het pact is al gesloten, de vlek op mijn ziel zal er vast niet groter of kleiner door worden. Daarbij is de druk gewoon te groot, ik weet dat ik een weigering niet met redenen kan omkleden dus ik zwicht.
"Ja", zeg ik weer.
Zo gaat het een keer of zes, tot ik merk dat er iets gebeurt. Het 'je hebt me alle hoop ontnomen' heeft zoiets melancholieks dat ik er zelf ook een beetje melancholiek van word, alsof ik kan voelen wat er achter dat liedje schuilgaat, bijna alsof ik zelf degene ben die alle hoop ontnomen is. Ik vergeet papa en zelfs mama vergeet ik even.
Dan word ik me opeens ergens van bewust. Dat liedje, dat raakt niet minder dan de woorden van dominee Verheijst de plek waar de tranen zitten!
Het is een ontstellende ontdekking waar ik me meteen al geen raad mee weet, omdat het wel eens zou kunnen betekenen dat God en goddelijke zaken allesbehalve het alleenrecht hebben op die unieke emotie.
Ik wil er niet al te diep over nadenken, alleen al omdat ik mijn gedachten onmogelijk kan ordenen en het me ontbreekt aan steekhoudende argumenten om het een of het ander te bevestigen of te ontkrachten. Maar ik wil het liedje niet nog een keer horen. Ik ga naar boven, naar mijn slaapkamer, de knuffels op mijn bed met wie ik alles deel, ze kalmeren me uiteindelijk een beetje.
|
|
|
 |
 De plek waar de tranen zitten
Zout op perkament
|
18 Februari 2011 | 23:49:56
 |
We hebben een nieuwe dominee. Hij heet: dominee Verheijst. Niemand in ons dorp heet zo, maar hij komt dan ook helemaal uit Zeeland.
"Dominee Verheijst lust geen rijst", zingen de jongens uit mijn klas na een paar dagen al op het schoolplein. Dat is natuurlijk onzin, maar ik vind het ook wel een beetje stoer als je zoiets durft, grapjes maken over de dominee. In mijn dagdromen ben ik ook behoorlijk stoer. Maar ik steek zelfs dan toch maar liever niet de draak met de dominee want ik vermoed dat dat wel eens spotten kan zijn, en met spotters loopt het immers niet goed af; die moeten naar de hel.
Tot voor kort hadden wij dominee Stegeman. Die is nu met emeritaat. Ik heb dat woord goed onthouden en in mijn hoofd bewaard bij alle andere moeilijke woorden die ik al ken. Als ik alleen ben, zeg ik ze soms zomaar zacht voor me uit. Dat is een opwindende ervaring, zoveel moeilijke woorden uit mijn mond. Ik denk dat dat komt omdat ik ze nooit hardop durf te zeggen als er andere mensen bij zijn.
Eigenlijk vond ik dominee Stegeman niet veel aan. Hij praatte langzaam en veel op dezelfde toon, en wat hij zei was ook nog eens moeilijk te onthouden. Als mama me na de kerkdienst steevast vroeg waar de dominee over had gepreekt, kon ik vaak hooguit zeggen: "over Mozes", "over David", of "over Jezus en de blinde man".
"Weet je echt niet meer?", vroeg mama dan en soms werd ze een beetje boos. Raar genoeg was dat inderdaad zo, al begreep ik zelf ook niet waarom ik niet meer te vertellen had, want ik had toch een heleboel woorden gehoord. Maar wat dominee Stegeman anderhalf uur lang stond te verkondigen was gewoon onmogelijk samen te vatten, hoezeer ik mijn best ook deed, en letterlijk herhalen ging al evenmin.
Dominee Verheijst is heel anders dan dominee Stegeman. Ik zit soms zomaar een hele tijd na te denken over dominee Verheijst. Over hoe hij praat, langzaam of snel, hard of zacht, dreigend of troostend, of als hij dat ene doet met zijn stem, dat ene waar ik geen woord voor weet.
Ik zal proberen uit te leggen hoe dat gaat. Het is daarbij belangrijk om te weten wat ik heb ontdekt over woorden. Woorden zijn namelijk niet rood, zwart, geel, blauw of iets daar tussenin, ook al lijkt het soms van wel. Woorden zijn blank, doorzichtig. Het is de toon waarop ze worden uitgesproken die ze een kleur geeft. Zo zit het, dat is de waarheid van de woorden.
Ik praat daar met niemand over maar het verklaart ongeveer alles om me heen. Mama bijvoorbeeld. Die heeft er een handje van om te praten met een randje. Gele woorden met een zwart randje, witte woorden met een rood. Je hoort het vaak niet eens maar je voelt het wel, en dat is natuurlijk ook haar bedoeling. Papa is wat dat betreft het tegenovergestelde. Als hij zwarte woorden uitspreekt -en dat doet hij nogal vaak-, schrijft hij er bij wijze van spreke ook nog eens het woord 'zwart' onder. Totaal overbodig, maar het is in ieder geval duidelijk en dat kan ik van mama's woorden niet zeggen. Die hebben randjes, dubbele bodems, vleugjes, zweempjes en weet ik veel wat meer.
Maar zo gaat het dus met dominee Verheijst: we zitten in de kerk en hij strooit vanaf de kansel met alle kleuren van de regenboog. Felle kleuren zijn het, stuk voor stuk. Want dat is ook zoiets; ik heb gemerkt dat er al met al nogal veel in vage kleuren wordt gepraat. Er passeren een heleboel woorden en je hoort ze ook allemaal wel, maar ze raken je nergens. Je hoofd komt er niet door in actie en je raakt er ook niet door in een andere stemming, daar zijn die woorden gewoon veel te vaag voor. Volgens dominee Stegeman is dat te wijten aan een 'stenen hart' dat nog niet door de Heere God tot 'vlees' is gemaakt en dat mag allemaal zo zijn; neemt niet weg dat hij ook wel eens wat meer zijn best had mogen doen om kleuriger te spreken.
Dominee Verheijst doet veel met rood en dat vinden de mensen interessant. Je merkt het gewoon; er wordt minder gefriemeld en gesnoept. Het is niet mis hoor, die boodschap van dominee Verheijst; hel en verdoemenis voor allen die op zo een grote zaligheid geen acht slaan, die Jezus nog dagelijks kruisigen met hun wereldgelijkvormige daden en gedachten; wee hen!, want al wat hen wacht is de buitenste duisternis waar wening zal zijn en knersing der tanden, waar de worm niet sterft en het vuur der wroeging niet zal worden uitgeblust.
Het boeit de mensen. De mensen zijn stil, maar nog stiller zijn ze als ook dominee Verheijst bijna stil is. Zijn stem is weinig meer dan een snik en zijn woorden hebben de kleur van een traan als hij spreekt over 'de tere gemeenschap met God'. "Gods verborgen omgang vinden zielen waar Zijn vrees in woont", zegt hij dan en zijn stem klinkt alsof hij er tussendoor huilt. (Met het woord 'vinden' in die zin kan ik trouwens meteen al niet uit de voeten; ik weet niet precies wat er mis mee is maar het klinkt raar.) Als hij zo praat, dominee Verheijst, dan raken zijn woorden niet langer de angst, de wanhoop, de weerstand of het ongeloof in de mensen; dan raken ze de plek waar de tranen zitten. Veel mensen, vooral vrouwen maar ook wel mannen, beginnen tijdens de preken van dominee Verheijst spontaan te huilen. Als hij praat over 'het zalige volk dat het geklank kent' lijkt het net of er opeens een klein beetje hemel in de kerk is. De hele atmosfeer krijgt iets bovenaards, iets dat te onbegrijpelijk is voor het alledaagse, en als hij ons een blik gunt op de zielen onder het altaar die om gerechtigheid smeken en vervolgens door God Zelf lange witte klederen aangereikt krijgen, raakt men massaal bevangen door een allesomvattend heimwee naar verlossing van het aardse leven.
Ik kan die ontroering begrijpen. Sterker nog, tegen wil en dank maak ik er deel van uit. Diep in me, direct grenzend aan plek waar de tranen zitten, zit namelijk een levensgroot verlangen naar iets dat groter is dan ik zelf en dominee Verheijst is de enige ter wereld die er zijn vinger op weet te leggen. Als hij dat doet komen er onherroepelijk tranen, daar kan ik niks aan doen. Tot nog toe heb ik één keer echt gehuild in de kerk. Dat vond ik vervolgens behoorlijk gênant, temeer omdat ik zag dat er toen net een ouderling naar me keek.
En soms is er ook een soort schaamte. Hoe God mensen bekeert, hoe Hij ze laat worstelen aan Zijn genadetroon tot ze de wanhoop nabij zijn, ik wil het weten en tegelijkertijd wil ik mijn innerlijke hoofd afwenden. Het is bijna net zo intiem als... kijken naar mensen die zoenen. Het lukt dan niet om de andere kant op te kijken maar op hetzelfde moment weet je dat het brutaal is om te gaan staan koekeloeren omdat het iemands privé-gebeuren betreft. En ik bloos bij die gedachte, want de mensen die ik heb zien zoenen waren mensen op terrasjes of mensen voor de ingang van het café, wereldse mensen dus, en dat ik er door gefascineerd raakte, maakte me op dat moment vast ook een beetje werelds. Ik heb God daarvoor uiteraard om vergeving gevraagd.
Dominee Verheijst heeft een uitgesproken voorkeur voor het boek Openbaring. Minstens eenmaal per week bedelft hij ons onder de oordelen die de aarde in haar eindtijd -onze tijd- zullen treffen.
Het is een klamme zondagmiddag, iets na vieren. Het daglicht valt gedempt door de hoge ramen. Ze zijn beslagen door de adem van tweeduizend mensen en laten het licht ietwat groenig door. Om de een of andere reden is me dat nooit eerder opgevallen en ik vind het opeens beangstigend, alsof er iets sinisters te gebeuren staat.
De stem van dominee Verheijst davert door de kerk als hij de derde engel laat spreken: "Indien iemand het beest aanbidt en zijn beeld, en ontvangt het merkteken aan zijn voorhoofd of aan zijn hand, die zal ook drinken uit de wijn van de toorn Gods, die ongemengd ingeschonken is in de drinkbeker van Zijn toorn, en hij zal gepijnigd worden met vuur en sulfer voor de heilige engelen en voor het Lam, en de rook van hun pijniging gaat op in alle eeuwigheid, en zij hebben geen rust, dag en nacht!"
Op dat moment klinkt er een kreet. Rechts van ons staat een man op.
"Help me toch, help me toch!" roept hij terwijl hij over het gangpad naar de preekstoel loopt.
Mijn hart begint de bonzen van schrik. Het lijkt erop dat de man naar de dominee wil gaan, maar dat kan toch niet, dat mag toch helemaal niet?
Maar daar is de koster al, samen met een ouderling, en ze pakken de nu snikkende man ieder bij een arm en leiden hem naar de consistorie. Ik zie nog net dat het de vader van Gea is.
Het is heel stil in de kerk. Dominee Verheijst is niet in staat om verder te gaan met de preek. Ook mama moet huilen. Uiteindelijk stelt de dominee voor om een psalm te gaan zingen en dat blijkt een goed idee; even uit volle borst meegalmen geeft ons allemaal weer wat lucht.
|
|
|
 |
 Rode tabletten
Zout op perkament
|
16 Februari 2011 | 21:53:47
 |
Laat me mijn gang gaan en ik slik alles wat ik slikken moet; zeg dat ik iets door moet slikken (en vlug een beetje) en het lukt acuut niet meer. Zo gaat dat. Ik wist allang dat ze er aan zaten te komen, de rode tabletten. Op het etiket staat immers: voor volwassenen en kinderen vanaf 6 jaar, en dat kan ik al prima lezen. Ik ben nu zes dus de kleinekindervitamines zijn niet meer aan mij besteed. Daar ga ik dan, beker water en een rode pil, en natuurlijk met geen mogelijkheid kunnen slikken. Niet getreurd, pil onder de tong en uitspugen in de wc. Het is een grappig gezicht hoe hij roodroze wolkjes maakt en als een korrelig wit ding gaat liggen verpillen. Doortrekken en klaar.
Mama is natuurlijk niet gek. Het gaat opvallen dat ik telkens na die tablet moet 'plassen'.
"Hier blijven", zegt ze als het na het warme eten weer zo ver is. Ze geeft me een rode tablet en een beker water, de bekende bruine beker. Hij staat naast de kraan en iedereen drinkt er uit. Met name papa drinkt eruit, maar hij slikt dan ook verreweg de meeste pillen van ons allemaal. Ik vind het eigenlijk een beetje vies dus ik maak 'm altijd eerst vlug rondom schoon.
Nu zit ik dus met een ongepoetste beker en een rode tablet. Ik stop hem in mijn mond. Een slok water erbij. Niks natuurlijk, het ding plakt als een magneet aan mijn gehemelte.
"Hup, doorslikken, nu." Mama is onverbiddelijk.
Nog een slok. "Het lukt niet", stamel ik.
"Natuurlijk lukt dat wel. Gewoon slikken. Ieder mens kan slikken dus jij ook. Kom op, slik dat ding door."
"Het lukt niet", zeg ik opnieuw en dan ren ik zomaar met beker en al de kamer in.
Mama komt me achteraan! We rennen een rondje om de tafel, het is vast een raar gezicht maar ik ben bang. Stilstaan dan maar weer, blijven rondrennen heeft geen zin. Bovendien heb ik een probleem: de tablet begint in mijn mond te doen wat ik zijn soortgenoten al een paar keer in de wc heb zien doen. Het gladde zoetige laagje gaat er af, wat overblijft is korrelig en smaakt bitter. Zo wordt hij dus ook in mijn buik.
"Slik dat ding door, idioot!" Mama is nu erg boos en dat is mijn schuld; ik heb er meteen al zo veel spijt van dat ik me het liefst ergens heel ver weg zou willen verstoppen. Ik moet ook huilen straks, voel ik.
"Slikken!"
Er zit nog maar heel weinig water in de beker. Ik neem toch maar die laatste slok en het wonder gebeurt: de tablet verdwijnt mee.
"Weg", zeg ik bibberend.
"Zie je wel", zegt mama, "je moet je niet zo verschrikkelijk aanstellen. Iedereen kan zo'n tablet doorslikken."
Het is nu klaar en de dag gaat weer verder. En uiteindelijk heeft ze nog gelijk ook, na niet eens zo heel veel dagen heb ik het helemaal onder de knie, het doorslikken van de rode tabletten.
Vier jaar later is Marleentje ook zes. Ze is nog steeds een slechte eter en ik voorzie al van ver dat de rode tabletten een probleem gaan worden. En zo gaat het ook. Ze moet bijna huilen als mama voorstelt om een rode tablet te proberen. Marleentje krijgt dus kauwtabletten, want die bestaan ook voor volwassenen en kinderen vanaf 6 jaar.
Ik vind het stiekem een beetje gemeen. Maar aan veel dingen heb ik al gemerkt dat oudste kinderen erg snel groot zijn terwijl jongste kinderen heel lang klein blijven, dus het heeft geen zin om te gaan protesteren. Zo zit de wereld nu eenmaal in elkaar, een idioot die zich daar tegen verzet. |
|
|
 |
 De plantenbak
Zout op perkament
|
14 Februari 2011 | 20:13:43
 |
Met z'n tweeën komen ze hem brengen: de grootste plantenbak die ik ooit heb gezien. Net als de meubels in ons huis is hij van eikenhout en er staan drie enorme planten in: een ficus met aan weerszijden een dieffenbachia. Nog niet zo lang geleden heeft papa me voorgedaan hoe je dat woord schrijft. Dat was nadat ik onder een tekening 'difenbagijaa' had geschreven. Papa houdt niet van fouten. Hij houdt wel heel veel van planten en bomen en dankzij hem ken ik meer plantennamen dan alle kinderen uit mijn klas bij elkaar. Niet dat ik dat ooit laat merken; ik zou dan immers alleen maar een rood hoofd krijgen en dat is raar.
De plantenbak staat al in de gang als blijkt dat hij de bocht bij de trap niet haalt. Er zit dus niets anders op dan het ding weer naar buiten te dragen en het via de achterdeur te proberen. Ik zie dat mama er een beetje zenuwachtig van wordt, van dat gesul met de plantenbak. Voor de planten is het ook niet leuk, ze schudden van jewelste. Ik neem me voor om, zodra ik alleen met ze ben, zachtjes tegen ze praten, daar kalmeren ze van.
De mannen dragen de plantenbak via de bijkeuken en de keuken de kamer in. Daar zetten ze hem neer op de plek die papa hen wijst.
"Nee, iets meer deze kant op", zegt hij als de bak eindelijk staat.
"Wat maakt dat nou uit Jan", zegt mama, "je kunt hem straks toch nog verplaatsen als je wilt."
"Ze kunnen hem toch net zo goed meteen neerzetten waar ik hem wil hebben, wat is dat nou voor een onzin", zegt papa. "Waar slaat het op om hem nu neer te zetten en er straks weer mee te gaan sjouwen? Doe het dan ook maar gewoon in een keer goed!"
Zijn stem schiet de hoogte in. Zullen ze ruzie gaan maken met die mannen er bij? Dat is toch niet netjes? Netjes zijn is namelijk erg belangrijk. Dat vindt mama, maar dat vindt papa nog veel meer. Hij is degene die erop staat dat wij netjes Nederlands praten en niet 'plat' zoals ze dat bij vrijwel alle andere kinderen uit mijn klas thuis doen.
Intussen lijkt het allemaal mee te vallen. Mama houdt haar mond zodat papa ook niets meer te zeggen heeft. Ik voel dat mama verdrietig is.
De mannen gaan weg. We blijven in de kamer staan. Het is een beetje een rare toestand. We hebben een mooie nieuwe plantenbak met mooie grote planten en niemand kijkt blij.
In de keuken begint Marleentje te huilen. Daarbij beweegt ze haar lijfje zo hard dat de kinderstoel er van kraakt. Aan de manier van huilen weet ik al precies wat er gaat gebeuren. Het duurt inderdaad niet lang of ze begint te hoesten en te kokhalzen en dan hoor ik haar overgeven.
Marleentje moet erg vaak overgeven, soms wel drie keer per dag. Ze eet ook verschrikkelijk slecht. Er zijn wel honderd verschillende spelletjes nodig om er wat in te krijgen. Mama kan er niet goed tegen, ze is er zelfs al een keer met dokter Dijkstra over gaan praten.
"Allemaal aandachttrekkerij", zei die, en dat Marleentje er vanzelf overheen groeit. Dat laatste hoop ik dan maar. Ik ben nog niet vergeten hoe vaak mama moest huilen toen ze in verwachting was van Marleentje. Dan had ze weer ruzie gehad met papa of het was al heel laat en hij was nog steeds niet thuis.
"Het is jouw schuld als dit kind helemaal niet goed is!" riep ze op een keer naar hem en dat maakte me bang. Het zou dus best kunnen dat Marleentje zo veel overgeeft omdat ze niet goed is. Al denk ik ook wel eens dat ze gewoon niet kan eten door de spanning en de ruzie. Dat zou ik me in ieder geval goed kunnen voorstellen.
Ik ga naar de keuken en pak een doek om het op te ruimen. Ik ben er verschrikkelijk vies van maar het laten liggen is ook geen optie. En mama is verdrietig, die moet ik er niet mee lastig vallen.
Ik vind Marleentje heel mooi. Ze heeft zachte, goudblonde haren en grote bruine ogen. Papa en mama hebben ook bruine ogen, ik ben de enige met grijze. Die heb ik van opa Mouw, zegt papa altijd. Trouwe ogen, zegt hij wel eens, en ook: goeiige ogen. Wat goeiig precies betekent weet ik niet, maar het klinkt een beetje als iets zieligs en daarom vind ik het niet zo'n fijn woord.
Als ik mijn babyboek bekijk, zie ik dat ik toen ik twee was lang niet zo'n mooi kindje was als Marleentje nu. Vooral mijn haar was raar, het zat nooit mooi glad maar altijd in gekke stugge plukken. Toen het wat voller werd, ging het krullen en daarom heet ik papa's krullenbol, daar ben ik wel blij mee. Maar zo zacht en engelachtig als Marleentjes haar is het nooit geweest. Zij lijkt daarom veel meer op een meisje dan ik.
De volgende middag komt mama op school. De bel is nog niet eens gegaan maar zij mag al naar binnen. Ze gaat juffrouw Bos vertellen dat papa geen werk meer heeft. Juffrouw Bos weet al dat papa al een hele tijd ziek is. Hij was overspannen geworden omdat hij alles te goed wilde doen en daardoor ging het fout, heeft mama me uitgelegd, en ze zei ook dat hij het veel te druk had. Ik heb dat zelf een keer gezien. Toen we in de stad waren, gingen we naar zijn kantoor. Hij wist niet dat we kwamen en volgens mij vond hij het ook niet leuk want hij wilde niet eens met ons praten. Mama zei toen tegen me dat papa het heel erg druk had en dat geloofde ik ook wel want er lagen heel veel papieren op zijn bureau. Maar hij had best even "hallo" kunnen zeggen, voor zo'n woordje heb je immers maar een paar tellen nodig, misschien zelfs maar één. We gingen toen dus maar gauw weer weg.
In de klas geeft juffrouw Bos me zomaar een aai over mijn hoofd. Ik schrik er van. Ze weet nu natuurlijk dat papa geen werk meer heeft en ik denk dat ze me wil troosten. Maar ik weet zeker dat mama verdrietiger is dan ik; juffrouw Bos kan dus beter mama gaan troosten.
Tijdens het kringgesprek vertel ik van de plantenbak. Dat we die van papa's werk hebben gekregen omdat hij daar weg moest, omdat hij nog steeds ziek is. Ik vertel dat de plantenbak niet door de gang paste vanwege de trap. Geen van de kinderen reageert erop en dan bedenk ik dat het eigenlijk ook niet zo'n interessant verhaal is. |
|
|
 |
 De wielrenners
Flarden
|
13 Februari 2011 | 15:33:51
 |
Met de wielrenners op de Uddelerweg had ik een bijzondere band. In de winter zag je ze zelden en dat was ook niet meer dan normaal. Op winterzondagen zag je, behalve mensen zoals wij, überhaupt niemand op de Uddelerweg. De beide tankstations die op veel minder dan een steenworp afstand van elkaar verwijderd lagen, zaten dicht en van tanken per pinpas was nog geen sprake. Het zou me trouwens verbazen als dat daar inmiddels wel het geval is. Heel af en toe stond daar iemand, uiteraard niet 'van hier', een beetje hulpeloos naast zijn bij te vullen auto. Eén blik op ons moet diegene ongetwijfeld het een en ander hebben verduidelijkt.
Maar werden de dagen langer en warmer dan daagden ze weer op. Vaak in groepen van minstens twintig ruisten ze voorbij, soms voorafgegaan of gevolgd door twee of drie enkelingen. Natuurlijk werkte dat groepsverband bravoureverhogend waar het het maken van opmerkingen aan ons adres betrof, en die opmerkingen golden vrijwel altijd onze hoeden. Ook wel onze lange rokken maar toch vooral onze hoeden, want met name in de zomer wilde het nog wel eens lukken om er in een lange doch redelijk vlot ogende rok niet veel anders uit te zien dan een willekeurige wereldlinge.
De hoeden waren echter een bezienswaardigheid. Je had vrouwen en meisjes die hun hoed tot de drempel in de hand hielden, of nog erger, meenamen in een plastic zak. Dan zaten ze naderhand namelijk opgescheept met die plastic zak die steevast niet in hun tasje bleek te passen en die ze daarom ergens naast zich propten, waar hij net zo lang lag te kraken tot hij een formaat had bereikt waarin hij uitgekraakt was. Ik vond het sowieso iets schijnheiligs hebben. Ben je overtuigd van het feit dat een vrouw 'een macht op het hoofd' dient te hebben 'om der engelen wil', geef dan ook ongeacht de omstandigheden blijk van deze overtuiging.
Maar ik moet toegeven dat er ook een andere reden was waarom ik niet met de hoed in de hand door het dorp ging. Zo aan het begin van mijn puberteit had ik ontdekt dat ik over een vrij goed hoedenhoofd blijk te beschikken. Een hoed, pet of baret deden iets positiefs met mijn gezicht en gecombineerd met de juiste blik in mijn ogen kon ik er zonder gevoelens van ongemak mee over straat. Nog steeds behoren hoofddeksels om die reden tot mijn favoriete accessoires.
De wielrenners dus met hun gelach en hun opmerkingen die overigens vrijwel nooit volledig verstaanbaar waren, ik acht het niet onwaarschijnlijk dat ze massaal de zonde tegen de Heilige Geest begingen. Met die specifieke zonde was iets speciaals aan de hand. Het fijne ervan heb ik nooit helemaal kunnen vatten maar dat geldt voor vele geloofszaken; wellicht is het zelfs de kern van wat geloven heet. In ieder geval is het te vergelijken met het feit dat iemand die in staat is verbaal te beweren stom te zijn, onomstotelijk niet stom is. Ofwel, wie nog capabel is zich af te vragen of hij al dan niet de zonde tegen de Heilige Geest heeft begaan, heeft deze zonde tot nog toe definitief niet begaan. Degenen die deze zonde op hun kerfstok hebben, zo werd me verteld, stellen zichzelf deze vraag namelijk nooit, dat is simpelweg onmogelijk. Of, mocht die vraag onverhoopt toch hun gedachtegang kruisen, dan doen ze hem af als irrelevant en faliekante onzin. Een andere en in het geval van de wielrenners heel plausibele optie is dat de betreffende zondaren nog nooit van de zonde tegen de Heilige Geest hebben gehoord. Niettemin lachten ze dus om ons of riepen ze iets spottends, en daarmee raakten ze precies het hart van deze zonde: het willens en wetens ridiculiseren van iets God-gerelateerds. Voor dezulken geen verlossing in der eeuwigheid - en krom genoeg zag het er uit als een zegen dat ze zich daar in de verste verte niet van bewust leken.
De wielrenners bleven niet onopgemerkt. Daar zorgden ze overigens zelf wel voor; flink joelen voor de deuren van de kerk leek hun ultieme vorm van vermaak. Dat was dan weer voer voor onze dominee; niet zelden droeg hij de wielrenners, die immers zonder God en daarom zonder hoop door het leven gingen, op aan de genadetroon, opdat hun ogen geopend mochten worden zoals de ogen van Saulus van Tarsus op weg naar Damascus.
Maar intussen heb ik nog steeds mijn band met deze wielrenners niet verklaard. Ik had namelijk meer met hen gemeen dan ze ooit voor mogelijk konden houden, en het was mijn missie om ze daar op de een of andere manier van te overtuigen. Om te beginnen leek oogcontact me het meest effectief, dus lonkte ik naar ze vanonder de rand van mijn hoed. Ja heus, het woord lonken beschrijft het best wat ik daar als jong meisje liep te doen. Vanuit mijn ooghoeken gluurde ik naar een wielrenner met een blik die, naar ik hoopte, zei: 'don't mess with this girl, wij weten beiden immers waar Abraham de mosterd haalt', hoewel dat een uitdrukking was die ik om voor de hand liggende redenen bij uitstek diende te vermijden.
Dat weten bestond uit dat wat in mijn geheugen opgeslagen lag doch daar geenszins opgeslagen diende te liggen. Het waren de gloriejaren van de Break-Out! en als het even kon, kocht ik dat blad op vrijdagmiddag in de winkel van Jongetjes. Als een volleerd crimineel kreeg ik het vervolgens voor elkaar om de nieuwste Break-Out! en soms ook nog de Hitkrant half onder mijn hemd, half in mijn onderbroek te proppen en zo ongezien naar mijn slaapkamer te transporteren. Daar las ik alles over de huidige top-40, de hotste artiesten en de coolste looks. Ik legde in geheimschrift lijsten aan van wat ik mijns inziens moest weten om goedgeïnformeerd in het hiernamaals te belanden, in de wereld waarin ik heden ten dage leef - maar geloof me, de kennis van de hitlijsten waarover ik halverwege de jaren negentig beschikte heb ik nooit meer kunnen evenaren.
Ik wilde hun aandacht trekken. Ik wilde dat ze me zagen zoals ik werkelijk was. Gezien worden zoals ik was, was in die tijd haast van overlevingsbelang; het moeten verbergen van mijn ware identiteit bezorgde me vreetbuien, grondige zelfhaat en steeds aaneengeslotener depressies. Als ze passeerden in hun fietsbroekjes en met ruisende wielen, rechtte ik mijn rug en gaf ik mijn passen iets verends zodat mijn toen nog lange haren dansten. En natuurlijk was geen van hen op hun racefiets gestapt om het hart van een pubermeisje-met-hoed te doorgronden. Ik wist dat en ik zag onder ogen dat mijn blikken, tred en dansende haren finaal hun doel misten. Toch voorzagen de wielrenners in de eeuwenoude behoefte van het zich willen conformeren, het zich willen spiegelen aan gelijkgezinden, een behoefte die tijdens de puberteit nu eenmaal nadrukkelijk aanwezig is. Tot op de dag van vandaag ben ik de wielrenners daarom dankbaar voor hun aanwezigheid.
Vanzelfsprekend had ik me kunnen verzetten zoals men van oudsher verzet pleegt tegen alles wat naar radicaliteit zweemt. Ook in onze gemeenschap bestond een kleine kern van zich verzettende vrouwelijke leeftijdsgenoten. Ze zochten grenzen op, waren luidruchtig, dronken bier op zaterdagavond en droegen op zondag nadrukkelijk make-up en een zo kort mogelijk rok. In mijn ogen was hun verzet echter gespeend van elke vorm van intelligentie en om die reden sprak het me niet aan. Ondanks alles kon ik me vinden in het bijbelgedeelte dat zegt: 'niet door kracht, noch door geweld, maar door de geest zal het geschieden.'
En zo is het, niet eens zo heel veel later, ook gebeurd.
|
|
|
 |
 Sorry
Gedichten
|
11 Februari 2011 | 22:22:17
 |
eerlijk gezegd: veel liever dan jou
zie ik hem die je dit koude
kunstje heeft geleerd. het kan
niet anders of hij is een dader
van formaat. god sta hem bij.
maar jij, je schijnt nog bij
de pinken want je pretendeert
verdriet zoals, nietwaar, hij
wat hij liefde noemde deed.
(en kijk, het woord portiek
kleeft aan je gympen, je moet
er onlangs nog zijn ingestapt.)
weet je meisje, thuisgekomen
zal ik helemaal voor niets
een wijsje onder je zetten:
slaapplaats gezocht rhapsody
(of: wie de tekst gelooft is gek
en hij, nietwaar, maar lachen)
ach kijk, je gaat al weg. het was
wel te verwachten dat je humor
niet meer snapt. ik laat je
gaan en blijf, hautain haast,
nog wat talmen in de nawalm
van je ongewassen sorry.
*
voor de zwerfster bij station Apeldoorn,
die echt heel irritant is,
en die ik dus nooit geld geef,
maar die ik stiekem toch een beetje lief vind.
;) |
|
|
 |
 Het Nederlands verpalilaliseert
Flarden
|
08 Februari 2011 | 15:41:48
 |
"Maar ze hebben in oktober hebben ze de hele zaak al inhoudelijk behandeld."
(RTL Nieuws-correspondent inzake het Wilders-proces, 7 februari 2011)
"En toen is ze de hele avond is ze bij me geweest."
(vrouw van middelbare leeftijd in de trein, december 2010)
"De winst is ten opzichte van vorig jaar is de winst nagenoeg gelijk gebleven."
(manager van niet nader te noemen beveiligingsbedrijf, januari 2011)
Enkele voorbeelden van een zeer eigenaardige vorm van palilalie die ik een aantal maanden geleden voor het eerst opmerkte en waaraan ik me exact even lang erger - maar terwijl men er steeds massaler aan lijkt te gaan lijden, heb ik tot op heden nog geen enkele mede-ergeraar gevonden.
Een kritisch oor wees uit dat deze manier van zinsformuleren niets te maken heeft met iemands sekse, leeftijd, gesprekspartner dan wel toehoorders of met zijn of haar sociale en economische omstandigheden, voor zover ik die laatste aan de hand van iemands uiterlijke verschijning kon beoordelen. Alleen kinderen lijken er vooralsnog niet mee behept.
Automatisch dient zich de waarom-vraag aan. Waarom ziet men zich steeds vaker genoodzaakt om een zojuist uitgesproken zinsdeel in veelal omgekeerde volgorde te herhalen?
Ik overwoog een aantal mogelijkheden.
1. Iemand herhaalt zichzelf ter verduidelijking aan de ander, bang als hij is dat de ander in deze hectische tijden na pakweg twee seconden al weer is vergeten waar de een het over heeft.
Dit lijkt me evenwel niet waarschijnlijk, aangezien ik dergelijke uitbarstingen van preventieve medemenselijkheid op geen enkel ander vlak in de maatschappij heb kunnen ontwaren.
2. Iemand herhaalt zichzelf om te voorkomen dat hij de draad van zijn eigen zin kwijtraakt.
Tenzij men nogal overspannen is, over geen enkel zelfvertrouwen beschikt en/of bij zichzelf een latente vorm van dementie heeft ontdekt, lijkt me dit eveneens niet waarschijnlijk. Bovendien voldeden de hierboven geciteerde personen op het eerste gezicht in de verste verte niet aan deze criteria.
3. Iemand herhaalt zichzelf om stiltes te voorkomen dan wel om meer geluid te kunnen produceren dan nodig is voor wat men eigenlijk wil zeggen.
Ik ben geneigd te geloven dat dit een reden zou kunnen zijn, weliswaar een reden waarvan men zich nog collectief bewust moet worden.
En de vraag is of men dat wil. Want hoe men het ook wendt of keert, wie meer zegt wordt nu eenmaal meer gehoord en er is weinig dat als meer bestaansbevestigend wordt ervaren dan (de illusie van) gehoord worden. Mocht dit de reden zijn, dan verwacht ik niet anders dan dat deze tendens zich in louter opwaartse richting zal voortzetten en dan zie ik de toekomst van de correct uitgesproken zin uitgesproken somber in.
4. Het zal een rage blijken die zoals het een rage betaamt op den duur uit de mode raakt.
En dat is waar ik dan maar op hoop. Nu is een rage uiteraard geen rage zolang hij niet als zodanig wordt onderkend en bestempeld, dus ook in dezen is bewustwording van belang. Alleen al ter voorkoming van het feit dat ons nageslacht "er is er een jarig is er een" gaat zingen en dat de normaalste zaak van de wereld vindt, roep ik u bij deze van harte op tot bewustwording, alsmede tot het vergaren van de dosis moed die nodig is om een palilaliant op zijn of haar euvel te wijzen.
Mocht het desondanks noodzakelijk blijken dan roep ik met graagte de Bond tegen de Verpalilalisering van het Nederlands (BVN) in leven.
En mocht na veronderstelde uitroeiing van dit verfoeilijke verschijnsel blijken dat er nog steeds behoefte aan (zelf)herhaling bestaat, wees dan gewoon eens wat vaker stil.
Want stilte is uiteindelijk de mooiste palilalie.
|
|
|
 |
 Waar rook is
Gedichten
|
06 Februari 2011 | 22:22:07
 |
geen man zo gul als hij
met rook. geen mens zo joviaal
bediend en zonder aanzien
des persoons van reuk van
rook voorzien als wie
in zijn nabijheid komt.
en wanneer hij goedgemutst
is blaast hij net wat meer
omhoog. dan praat zij
van wat zij ziet: koriander,
rups met ogen, andersom
geschreven Grieks.
ook al praat zij nooit
hardop, wat hij uit in rook-
signalen hecht zich aan haar
blonde haren, aan de blos
op haar gezicht, maar
vooral aan haar naar adem
snakkende gedicht.
6 februari 2011
|
|
|
 |
 Antwoord
Flarden
|
04 Februari 2011 | 22:57:01
 |
Terugkijkend meen ik dat al die jaren, of in ieder geval dat wat voor die jaren toonaangevend was, valt samen te vatten in het gebeurde van die zondagmiddag. Ik zou niet durven zeggen welk jaargetijde of zelfs welk jaar het was; in mijn herinnering is er slechts een zonloze zondagmiddag en het zal een uur of vijf zijn geweest. Dat laatste weet ik omdat we net uit de kerk kwamen en de kerkdienst om drie uur begon. Ik denk dat ik ongeveer twaalf was, misschien nog iets jonger, want het feit dat ik mannen reeds zag zoals ik ze vandaag de dag nog steeds zie is geen betrouwbaar criterium; nog voor mijn achtste verjaardag had ik heimelijk al door hoe alles zat. Taught by nature.
Enfin, we komen dus thuis uit de kerk, mijn moeder en ik. Ik heb geen herinneringen aan de preek, aan wat er eventueel onderweg is gezegd of zelfs maar aan de kleren die ik droeg. Vanuit het niets bevind ik me in de keuken waarin wij wonen, een tamelijk ruim vertrek met een deur naar de huiskamer waarin mijn vader woont. Ik sta tussen de tafel en het raam, naast het biezen krukje met de kranten dat fantasieloos genoeg de naam Het Krukje draagt.
Mijn moeder is ook in de keuken en mijn vader komt juist de kamer uit. Hij verkeert in een vrij unieke stemming; hij lijkt niet uit te zijn op het ridiculiseren van onze kerkgang of op het negeren van ons bestaan.
Dan begint mijn moeder, zonder enige twijfel als gevolg van wat er zo-even op de kansel ten gehore is gebracht, te praten over 'de wereld niet gelijkvormig worden'.
Ik weet precies wat daarmee wordt bedoeld. Zelfs op zondag wandelt de wereld vaak langs ons raam om bij de buren op bezoek te gaan. Ze heet Petra en ze verft haar kortgeknipte haren dan weer blond, dan weer kastanjebruin. In haar spijkerbroek en met haar niet al te spaarzaam opgebrachte make-up is Petra de wereldgelijkvormigheid ten voeten uit. Ik kan een hele wereld om haar fantaseren: als ik in bed lig laat ik haar dansen onder een discobal in de armen van een man die heel erg verliefd op haar is. Ze worden een klein beetje dronken en om iets na middernacht verdwijnen ze innig omstrengeld in een van de leegstaande caravans naast het failliete hotel.
Als ik eenmaal op dat punt ben aanbeland, bén ik Petra en voel ik wat zij voelt in de armen van die blonde man - want altijd is hij blond, simpelweg omdat ik dat vind passen bij mijn eigen donkerbruine haar. Raar genoeg ben ik er lang van overtuigd geweest dat contrasten elkaar automatisch naar een hoger niveau tillen en aldus ook op zichzelf waardevoller zijn.
Nu ik aan deze zondagmiddag terugdenk en uit louter geestelijke versloffing de betreffende zinsnede moet googlen, mag ik wel concluderen dat de preek van die middag over Romeinen 12 vers 2 is gegaan, waar de apostel Paulus tegen de inwoners van Rome zegt:
"En wordt dezer wereld niet gelijkvormig; maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds, opdat gij moogt beproeven, welke de goede, en welbehagelijke en volmaakte wil van God zij."
Zelfs iemand met veel minder honger naar doorgronding van alles wat met taal te maken heeft dan ik, zou hebben begrepen dat mijn Petra-fantasieën haaks op dit bijbelgedeelte staan en dus nogal wereldgelijkvormig zijn. Desondanks herinner ik me geen enkel innerlijk conflict, alleen het op zijn alleromzichtigst verbergen van een geheim waarin ik allang mijn ware identiteit had ontdekt. Ik heb het sterke vermoeden dat dat identiteitsbesef me in vrijwel alle opzichten heeft gered.
Dan is er opeens de vraag van mijn moeder aan mij.
"Weet je wat dat betekent, de wereld gelijkvormig worden?"
Om de een of andere reden ben ik onmiddellijk totaal van slag. Dat gebeurt vrijwel altijd als mijn moeder mij een bijbelgerelateerde vraag stelt. Niet zelden ben ik als kind vanwege een in-het-nauw-gedrevenheid die ik zelf niet begreep bij zo'n vraag spontaan in tranen uitgebarsten. Ook later ben ik niet gaan begrijpen wat me zo overstuur maakte en inmiddels acht ik het allang niet meer relevant, al vermoed ik dat angst een grote rol heeft gespeeld.
Ik geef niet meteen antwoord op haar vraag. Ik ben bovendien op dat moment nog behept met het soort zelfreflectie dat met name een hoop denktijd in beslag neemt alvorens er iets bij lange na niet zeker klinkends over mijn lippen komt.
Maar ik hoef mijn moeders vraag niet eens meer te beantwoorden. Dat doet mijn vader namelijk voor mij.
Hij zegt: "Dat betekent dat je gaat rock-'n-rollen, zoals papa wel eens doet", en daarbij beweegt hij even met zijn heupen op denkbeeldige muziek terwijl hij een soort overwinnerslachje lacht.
Sinds ik weet wie Michael Jackson is, heb ik a thing voor mannenheupen, maar die van mijn vader doen me -vanzelfsprekend en waarschijnlijk ook gelukkig- niets. Inmiddels heb ik overigens geconstateerd dat hij, behalve niet mijn vader, ofwel langer ofwel slanker had moeten zijn voor enigszins sexy heupen.
Aan wat er vervolgens na dit heupmoment concreet werd gezegd of, veel waarschijnlijker, door beide partijen veelzeggend werd gezwegen, heb ik opnieuw geen herinnering, hoewel ik die aan de hand van ontelbare soortgelijke situaties moeiteloos zou kunnen reconstrueren.
Niet dat ik daar behoefte aan heb of verwacht ooit nog te krijgen. Wie nieuw is in mijn leven en benieuwd is naar hoe het ooit was en zo gekomen is, adviseer ik slechts te onthouden dat mijn vader rock-'n-rollde en mijn moeder de wereld niet gelijkvormig was.
En het antwoord op haar vraag luidt trouwens "ja".
|
|
|
 |
 In de goot
Gedichten
|
04 Februari 2011 | 18:03:37
 |
met woest en ledig
kon ik prima leven,
en geest op water
was heel stemmingsvol.
toen was er licht.
daarmee begon mijn queeste
naar op zijn minst
een goede parasol.
maar 'k had niet echt
de tijd om die te vinden
en 't was niet eens
de appel die ik at;
door 't licht dat mij
bijkans geheel verblindde
sloeg ik op de
bananenschil geen acht.
ik viel en men nam waar:
mijn val was groot.
van opstaan was
in dit geval geen sprake;
er restte niets
dan wachten in de goot
op iemand die
mijn nood niet zou versmaden.
na wat ik als
een tijdperk had ervaren
stond hij toch nog vrij
plotsklaps voor mijn neus:
de man met baard en
blinkend lang gewaad en
een stem die sprak: "wees
niet bevreesd, 't is heus:
het woord werd vlees
voor mensen zoals jij
en zal voortaan
voor altijd bij je blijven."
maar 'k weigerde beleefd
en lig sindsdien
welwillend maar toch ook
een beetje tragisch
te denken aan
voorbije gloriejaren.
want wat moet wie
van woorden leeft met vlees?
(en bovendien
eet ik slechts vegetarisch)
4 februari 2011
|
|
|
 |
 Dus droomt ze maar
Gedichten
|
23 November 2010 | 20:47:35
 |
mijn moeder leest me elke dag
mijn gouden toekomst voor.
haar stem klinkt haast in koor
als ze verhaalt van wat er gaat
gebeuren: in geuren en kleuren
word ik haar betere zelf.
ze heeft het ál voorspeld:
ik zal haar eerkroon dragen.
opgewekt neemt ze de nog te over-
bruggen jaren als een hindernis
voor lief; elk ongerief
is dienstbaar aan haar held.
terwijl ik wacht op wat me is
verteld, valt het beloofde in
verkeerde handen. de kunst
van niet belanden in wat zij
voor mij verkoos, is alles
waarin ik voor haar niet feil.
en nu ze mij nalatigheid verwijt
verdenk ik haar van valsheid
in geschrifte. nog tracht ze
driftig te herstellen wat ik
schond, maar niets -ze ziet het-
valt op vrije grond te redden.
november 2010,
niet speciaal voor mijn moeder
|
|
|
 |
 Deventer - Apeldoorn (en v.v.)
Gedichten
|
08 November 2010 | 20:13:12
 |
elke dag de IJssel over
IJssel van de twijfel
(waar op droge zonnedagen
water als het eerste water
lebbert als een lijpe tong
aan de weke uiterwaarden
waar de vage koeien grazen
aan het karig stukje strand
waar de vrijen zonnebaden
maar wanneer het tij zich keert
raakt het nat op vrijersvoeten
en verovert vaste grond
op de lieden en de koeien
tot het wild en overmoedig
zelfs die ene wilg bespringt:
tot zijn middel in de vloed)
elke dag de IJssel over
IJssel van de twijfel
daar ik maar niet kiezen kan
naar links of rechts te kijken
8 november 2010
|
|
|
 |
 Reclame
Flarden
|
09 Oktober 2010 | 18:08:37
 |
Als kind was ik gefascineerd door tv-commercials, toen nog reclame geheten en in- en uitgeleide gedaan door Loekie de Leeuw, het meest onzijdige wezen ever. Het was niet zo dat ik er speciaal voor ging zitten; reclame kwam op me af en drong zich aan me op, ik kon er niet om heen.
Ik herinner me nog dat ik op mijn zevende eens tot diep in de nacht uit mijn slaap werd gehouden door een oorwurm van het ergste soort: een reclamespotje waarin een vrouwenstem zong: "Cup-a-soup, da's leven, ooohoooh, cup-a-soup!"
Waarschijnlijk zong ze iets anders, want "cup-a-soup, da's leven" slaat tenslotte nergens op. Hoe dan ook, dat ding hield me danig uit mijn slaap. Ik sluit niet uit dat dit de eerste keer was dat ik lucht kreeg van de mogelijkheid door iets gek gemaakt, gebrainwashed te worden.
Verder was er een tweeling, Petra en Simone genaamd, die al "Andréééélon, Andréééélon" zingend op hun fiets de buurt onveilig maakten. Stoer vond ik dat, maar ik wist ook dat ik dat niveau van vrijmoedigheid nooit zou bereiken, zodat ik ook toen al genoegen nam met mijn toeschouwerspositie. Bovendien kreeg ik jeuk van die shampoo -destijds nog niet in uniform paars, elke soort had zijn eigen fleskleur- zoals ik van bijna alles waarin iets zeepachtigs zat jeuk en erger kreeg. Nooit overheen gegroeid ook.
We hadden Oil of Olaz waarvan ik wist hoe het rook; mijn moeder smeerde het iedere ochtend op haar net-niet-meer-jeugdige en nog-net-niet-zichtbaar-oudere gezichtshuid. Ik ben die huid gaan herkennen bij vrouwen die inmiddels minder dan een decennium van mijn huidige leeftijd verwijderd zijn; ze hebben allemaal de kenmerkende huid van mijn moeder van toen.
Maar Oil of Olaz dus. De reclame waarin een ouder zusje de crème aan een jonger zusje aanbeveelt. Jonger zusje probeert hem en roept verrukt:
"Mijn huid neemt het meteen op!" (Ooit iemand van u tot deze uitroep geneigd geweest? Toch vind ik hem nu pas belachelijk).
"Dat komt omdat je huid het nodig heeft. Ook al op jouw leeftijd", repliceert ouder zusje.
Vervolgens ontstaat er wat interactie en quasi-geruzie om de Oil of Olaz-fles, waarna een van de zusjes hem bemachtigt terwijl de andere roept:
"Maar je blijft met je vingers van Rick af!"
Dat was voorwaar het mooiste van de hele reclame, daar zat een verhaal achter waaraan ik tijdens mijn stille uren in het bos naar hartelust kon pluizen. Maar ik was acht en me bewust van het feit dat ik stiekem nogal onachtjarig was, en onachtjarig als ik was wist ik dat ik dat feit maar beter kon verbergen.
"Waar slaat dat nou weer op?" acteerde ik de perfecte achtjarige reactie op de Rick-zin.
"Dat ga je wel begrijpen als je groter bent", reageerde mijn moeder en ik zweeg tevreden. Mijn opzet was geslaagd; ze had geen flauw benul van wat me zo mateloos boeide, waar ik van droomde, wat me vrijwel altijd bezighield.
En dan was er nog tandpasta. Zelf hadden wij zonder meer Macleans en alleen al om die reden was die tandpasta in mijn ogen niet hip. Hippe mensen poetsten met Prodent. Dat doe ik nu dus ook, zonder meer.
Op een avond deden mijn moeder en ik de afwas of iets anders bij het aanrecht - ik weet vrijwel zeker dat het de afwas was. Ik was nog steeds acht. Het nogal eenzijdige gesprek ging over de jongen met wie ik later verkering diende te krijgen en met wie ik, als logisch gevolg daarvan, diende te trouwen. In het kader van "trekt niet een ander juk aan met de ongelovigen" moest dit uiteraard een jongen van de kerk zijn, gelovig als ik verondersteld werd te zijn, zodat ons huwelijk van een leien dakje zou gaan.
"Dat voorkomt zoveel problemen", zei mijn moeder (had ze het toen over zichzelf denk ik verdomme nu pas?).
Die zin vond weerklank in mijn hoofd en aansluiting bij iets dat verantwoordelijk is voor dat typische begin van een lachkriebel. Onachtjarig als ik nog immer was, overwoog ik even of ik het kon maken, net wel of net niet? Het was hoe dan ook te grappig om binnensmonds te houden.
"Poetsen met Prodent voorkomt veel problemen", declameerde ik als antwoord aan mijn moeder, en in mijn hoofd ging ik verder: "Er is een tandpasta voor iedereen!"
Het was even stil, het soort mij inmiddels al overbekende stilte waartijdens iets zinkt.
"Doe niet zo raar", zei mijn moeder toen.
Of nee, dat zei ze niet, ze zei: "Doe niet zo roar", wat net zo klonk als 'goor' en in mijn beleving om die reden ook dezelfde lading had. En erger nog, want tegen ons kinderen praatte ze normaal gesproken geen dialect aangezien mijn vader had besloten dat wij 'netjes' moesten leren praten en zij zich daarin schikte - waaruit ik concludeerde dat mijn vermeende grap dusdanig ernstig was dat ik als volwassene werd berecht.
Daarna werd er gezwegen, dat weet ik nog. En ik weet dat mijn vader de grootste schik zou hebben gehad als hij er bij was geweest, maar hij was er niet bij en dat was maar beter ook. Zonder dat had ik het evengoed al Spaans benauwd in mijn spagaatpositie; ik heb er heden ten dage bij tijden nog steeds spierpijn van. |
|
|
 |
 Nietwaar
Gedichten
|
07 September 2010 | 08:41:11
 |
het pluizende tapijt, de vale mat,
de beker met de buts, de schilferschotel,
de vochtafdruk, de plek waar ooit de kat,
de sleetse trui, het schrompelend viooltje,
het kuilend kussen, het verholen gat:
we hebben allemaal onze mongooltjes.
7 september 2010
|
|
|
 |
 Luciano
Verhalen
|
25 Juli 2010 | 21:57:01
 |
Er was eens een man die maar één wens had: na zijn dood wilde hij terugkeren als zijn eigen kat.
Omdat hij wist dat dit ten enenmale onmogelijk was, was hij de laatste
jaren van zijn leven erg terneergeslagen en depressief. Groot was zijn
verbazing dan ook toen hij, na zijn laatste adem te hebben uitgeblazen,
aan de balie verscheen, zijn wens uitte en te horen kreeg:
"Dat is welzeker mogelijk meneer."
"O ja?", sprak de man, "ik had werkelijk geen idee dat iets dergelijks
bestond! Ik heb altijd gedacht dat ik niet de eigenaar kan zijn van wat
ik tegelijkertijd zelf bén!"
"Maar meneer", luidde het antwoord, "dit is immers het hiernamaals, hier
is met enige kunstgrepen bijkans alles mogelijk. U denkt nog op een te
tijdelijke wijze, dat zult u toch echt moeten afleren wilt u in het
hiernamaals slagen."
"Ik zal mijn best doen", antwoordde de man. "Wilt u me dan alstublieft nu veranderen in mijn eigen kat?"
"Tweede deur rechts meneer. U wordt daar zo spoedig mogelijk geholpen."
De man opende de deur naar de vrij kleine, vierkante ruimte. Wat hij
daar zag, beviel hem meteen. De wanden en zelfs het plafond waren bedekt
met printjes waarin hij onmiddellijk allerhande dierenhuiden en
-vachten herkende. Hij zag het stugge haar van prairiedieren,
schitterende verentooien, de schildjes van keverachtigen en toen,
helemaal links in de hoek, zag hij wat hij zocht. Hij liep erheen. Daar,
dat rode tabby, dat was precies de vacht van zijn Luciano.
"Ik zie dat u uw keus al heeft gemaakt", klonk een blikken stem. "Nu
rest u op dit moment nog één beslissing: poes of kater? Want het mag
hier dan wel het hiernamaals zijn, we doen niet aan gekkigheid. U wordt
zondermeer het dier waarvan u de vacht kiest."
"Dat is prima", sprak de man, "kater, alstublieft."
"Tussendeur, gang door, na vijftig meter rechts", werd hem bevolen.
"Maar", probeerde de man nog, "houdt u er wel rekening mee dat ik niet
zómaar een kater wil worden? Ik wil namelijk mijn éigen kater worden."
"Totaal geen boodschap aan meneer", kreeg hij te horen. "Ik ga hier over het uiterlijk; zeuren over details doet u elders maar."
En dus wist de man niets beters te doen dan de tussendeur te openen en
na vijftig - ietwat onevenwichtige - passen rechtsaf te slaan.
Op de deur waarop met grote witte letters KATACHTIGEN stond, gaf hij een paar tikken.
"Binnen!", riep een ditmaal zware stem, en toen hij aan dat verzoek gehoor gaf:
"Ah, daar hebben we de persoon die zijn eigen kat wil worden."
De man slaakte een zucht van verlichting. Zijn wens was kennelijk goed
overgekomen en voor het eerst sinds jaren voelde hij zich optimistisch
en vol goede moed over zijn toekomst.
"Dat klopt", antwoordde hij. "Ik ben erg blij en verrast dat die
mogelijkheid tot uw assortiment behoort! Mijn hele leven heb ik gevreesd
dat..."
"Bespaar me uw dankbaarheid en uw verhalen", klonk het. "Dit is de
afdeling Ogen, Staart en Lichaamsbouw, dus steekt u alstublieft elders
de loftrompet. En maak nu graag een beetje voort, we hebben zo'n
vierhonderd katachtigen vandaag."
Dat bleek geen moeilijke opgave; de man herkende in de diverse modellen
moeiteloos Luciano's goudbruine ogen, diens lange staart en stoere
lichaamsbouw.
"Goede smaak", mompelde de stem, en toen luider: "Akkoord, wij gaan het
voor u in orde maken. U kunt op de gang wachten tot u wordt geroepen."
De man liep de gang op en wachtte heel lang in een heel langzaam
voortschuifelende rij. Hier en daar klonk wat binnensmonds gemompel maar
hij sloeg er geen acht op; hij was te zeer geconcentreerd op wat hem te
wachten stond.
"Volgende ziel graag!", kwinkeleerde eindelijk een vrouwenstem achter de deur en de man begreep dat het nu zijn beurt was.
Eenmaal binnen keek hij zijn ogen uit. Het wemelde er van de woorden! De
muren stonden vol bijvoeglijke naamwoorden en terwijl de man de woorden
vluchtig in zich opnam, drong het tot hem door dat ze enigszins
gecategoriseerd waren; sterk stond bij moedig en wilskrachtig; verlegen bij bedeesd, deemoedig en kalm.
"Dit is, zoals u waarschijnlijk al vermoedt, de afdeling Karakter",
sprak de vrouw. "Neem de tijd, we begrijpen dat dit geen keuze is die u
in een paar seconden maakt. U mag zeven woorden kiezen, dat lijkt me een
redelijk aantal nietwaar."
Nu stond de man in dubio.
"Mag ik u misschien wat vragen", begon hij. "Ik wil namelijk mijn eigen
kat worden en nu weet ik niet of ik moet kiezen voor mijn eigen
karaktertrekken of voor die van mijn kat."
"Meneer", klonk het, "wij zijn hier geen adviesbureau. Als u bij leven
niet heeft nagedacht over het hiernamaals is dat uw probleem, niet het
onze. U bent een intelligent wezen geweest en die intelligentie zit voor
eeuwig in uw ziel verankerd, dus doe nu niet alsof u niet goed snik
bent."
Toen wist de man niets beters te doen dan te kiezen voor de
eigenschappen die zowel Luciano als hijzelf hadden bezeten. Hij koos
voor eerlijk, zachtmoedig, consequent, vriendelijk, zelfstandig,
zelfredzaam en vredelievend. Even nog vroeg hij zich af of sommige
woorden elkaar niet deels overlapten, maar hij had de knopjes naast de
woorden al ingedrukt en toen hij nogmaals drukte om te zien of hij
daarmee zijn keuze ongedaan kon maken, bleef het lichtje branden,
waaruit hij opmaakte dat het gekozene definitief was.
"Goed zo", zei de vrouw, "voor een twijfelaar bent u in het geheel geen
trage beslisser. Dan is uw profiel nu compleet. U gaat op de gang
rechtsaf, na zo'n dertig meter treft u aan uw rechterhand de
affirmatieruimte aan. Het kan zijn dat u even moet wachten, want zoals u
wellicht al heeft gehoord, hebben we het nogal druk vandaag."
"Dank u wel", stamelde de man nogal onder de indruk en tegen wil en dank opnieuw een beetje bezorgd.
Na ongeveer een half uur te hebben gewacht, werd hij binnengeroepen. Aan
een wit bureau zat een oude man die eruit zag als een natuurkundige;
hij leek een beetje op Einstein.
"Gaat u vooral zitten", zei Einstein. "U oogt ietwat nerveus, kan dat kloppen?"
"Ja", gaf de man toe, "ziet u, ik knijp 'm een beetje. Ik ben al met al
toch zo benauwd dat u mij allemaal niet goed heeft begrepen! Eerlijk
gezegd heb ik er zelfs buikpijn van gekregen, zo grijpt het me aan."
"Laten we eens kijken", sprak Einstein, "u bent bij Vacht, bij Ogen,
Staart en Lichaamsbouw en bij Karakter geweest en u heeft uw keuzes
gemaakt, en hier staat dat u uw eigen kat wilt worden. Correct?"
"Correct", beaamde de man, "maar waar het 'm nou in zit, ziet u, ik wil
niet mijn eigen kat worden in die zin dat ik een replica wil worden van
mijn overleden kat. Ik wil een kat zijn en ik wil tegelijkertijd de
eigenaar zijn van die betreffende kat."
"Dat heeft u zeer helder verwoord", vond Einstein, "u moet bij leven
niet bepaald onnozel zijn geweest. Niettemin was een en ander mij
evengoed al duidelijk en aldus zal geschieden."
"Dat is waarachtig een mirakel!", riep de man uit. "En nu? Hoe gaat u te
werk? Wordt het een langdurig proces of is het zo gepiept? En hoe en
wanneer zal ik merken dat ik, als ik...?"
Van louter opwinding kwam de man niet meer uit zijn woorden.
Einstein kneep zijn ogen toe.
"U was bij leven vast geen gelovig man."
"Gelovig? Nou nee, God verhoede. Geloof staat gelijk aan pappen en
nathouden voor zolang het duurt en daarna onherroepelijk het grote
debacle. Mij niet gezien."
"Dat vermoedde ik al meneer, en tussen ons gezegd en gezwegen: ik deel
uw mening grotendeels. Evenwel was Jesaja een wijs man, daar hij sprak:
Wee dien, die met zijn formeerder twist, gelijk een potscherf met aarden
potscherven! Want zal ook het leem tot zijn formeerder zeggen: wat
maakt gij?"
Doordringend keek Einstein de man aan, die op zijn beurt wat schuchter zei:
"Ik vrees dat ik u heb beledigd mijnheer. Ik bied u daarvoor mijn oprecht gemeende excuses aan."
Einsteins lach daverde door het vertrek.
"In het geheel niet nodig, aangezien het in het hiernamaals onmogelijk
is iets of iemand te beledigen. U bent nog zo aards georiënteerd, wat
dunkt u, wordt het zolangzamerhand geen tijd om spijkers met koppen te
slaan?"
Inwendig bevend knikte de man.
Einstein leidde hem naar de hoek van het vertrek, schoof een gordijn dicht en drukte op een knop.
*
"Verrek", zei Ans tegen Gerda, "als dat Luciano niet is."
"Och mens je daast", antwoordde Gerda. "Die ouwe Luciano van die gekke Gerrit Jan? Die hemelt al jaren."
"Dat vind ik toch zo'n nare uitdrukking", zei Ans, "hemelen. Net
alsof... nou ja, weet ik veel. Het klinkt me gewoon akelig in de oren.
Maar kijk nou zelf eens, hij lijkt er precies op toch?"
"Ja", zei Gerda, "en op de vierhonderd andere rooie katers die ik in m'n leven heb gezien", en daarmee was het gesprek voorbij.
Maar de volgende ochtend, toen Ans in de huiskamer haar wasgoed stond te
strijken, hoorde ze een zacht getik tegen het raam. Ze keek op.
"Wel heilige moeder Maria nog es an toe!", riep ze toen uit.
Daar was hij weer, de rode kat van gisteren, en hij mepte met zijn rechter voorpoot tegen het raam.
"Wat mot je van me beest", mompelde ze terwijl ze automatisch naar de achterdeur stiefelde.
Zodra ze deze opende, stoof de kat naar binnen, de kamer in, waar hij triomfantelijk plaatsnam op een grote fauteuil.
Toen Ans van verbouwereerdheid niet meteen iets zei of deed, opende hij zijn bek en liet een luide mauw horen.
"Wat mot je van me?", herhaalde Ans.
"Mauw! Maaaaaauw.... mauw!"
Het klonk ongeduldig, een beetje opdringerig ook.
"Je bent een gek beest", zei Ans, "een gek beest, hoor je dat?"
"Maaauw!"
"Ja precies, krek wat 'k zeg. Wat zit je daar nou te zitten?"
"Mauw!"
De kat kneep zijn ogen toe en opende ze weer, wijd en aandachtig.
Even rilde Ans. De blik in de ogen van die kat, die blik had ze eerder
en vaker gezien, en zonder te weten waarom had ze er meteen al schoon
genoeg van.
"Kom op", zei ze resoluut, "'t is mooi geweest. M'n huis uit en vlug een beetje. Hup, vort, wegwezen."
Ze klapte in haar handen en de kat sprong van de stoel. Bij de
achterdeur bleef hij even staan en zond haar een laatste lange blik
tezamen met een laatste lange mauw. Toen kuierde hij weg, een beetje
moedeloos naar het scheen.
Precies zoals Gerrit Jan af kon druipen, schoot het door Ans heen, en
opeens wist ze aan wie de blik van die kat haar deed denken.
Met een hand voor haar mond ging ze op een stoel zitten en van de weeromstuit vergat ze haar was.
"Dat beest jaagt me de stuipen op het lijf", zei Ans tegen Gerda, waarna ze driftig een te grote slok thee nam.
"Hij zat daar maar te kijken, zoals... nou ja, zoals een kat niet hóórt
te kijken. Als een méns... als een man die wat van me wil.Je weet wel,
zoals vroeger Gerrit Jan."
Ze bloosde tussen haar rimpels.
"Jasses, ik werd er akelig van. Ik heb 'm maar als de wiedeweerga naar buiten gestuurd."
"Goed zo", zei Gerda, en toen het stil bleef: "Vergeet die kat", en toen
het nog steeds stil bleef: "Moet je binnenkort niet weer eens naar
dokter Van Malen?"
Nadien zag Ans de kat nog slechts zo nu en dan terloops. Ze wist dat ze
het door hem weg te sturen had verbruid; Gerrit Jan was immers ook nooit
van de second chances geweest. Ze had geen idee wiens kat het
was en waar hij woonde, maar hij zag er schoon en goed doorvoed uit dus
er was geen probleem; niets waarover ze zich druk hoefde te maken.
Ze haalde diep adem, ontspande zich en ging niet veel later dood.
*
Na zestien grotendeels niet ongelukkige jaren voelde de kater dat
zijn lichaam moe en nogal krakkemikkig werd en hij besloot dat het beter
was dat hij zich overgaf aan een volgende transformatie. Hij knikte bij
zichzelf, strompelde naar het bos en koos een stoere eik waaronder
hij het leven liet.
Eenmaal opnieuw aan de balie vond hij het de hoogste tijd om zijn zegje te doen.
"Weet u", begon hij tegen de bediende, "het is niet zo dat ik een
beroerd leven heb gehad, het was alleen zo hier en daar ietwat
teleurstellend. Mijn wens was om mijn eigen kat te worden en houdt u mij
ten goede, maar ik vind eerlijk gezegd dat jullie er bar weinig van
gebakken hebben."
"Laat eens kijken", zei de bediende, "als ik het goed begrijp wilt u
klagen, dat kan. De afdeling Klachten zit hier direct links. Aangezien
er tegenwoordig nogal wat af geklaagd wordt, zal het u niet verbazen dat
er een behoorlijk lange wachtrij is. Maar bent u eenmaal binnen dan
kunt u klagen van jewelste, volop en naar hartenlust, wat ik u brom."
"Prima", zei de kater, "ik heb alle tijd van de wereld", en hij sloot netjes achteraan.
Het was al bijna avond toen hij aan de beurt was en in stilte prees
hij het feit dat het hiernamaals niet aan sluitingstijden deed. Men
opende de deur voor hem en hij trad dankbaar binnen - de kunst van het
deuren open springen had hij bij leven al nooit verstaan.
Groot was zijn verrassing toen hij in de Klachtenkamer Einstein trof.
"Wel wel wel!", zeiden beiden haast gelijktijdig, waarna Einstein hem vroeg hoe hij het maakte.
"Dat kon beter", zei Luciano, zoals hij zich bij gebrek aan inspiratie ooit had gedoopt, en hij deed zijn verhaal.
"Ik herinner me u welzeker nog", sprak Einstein daarna, "en ik herinner
me nog levendig dat de transformatie wel degelijk is geslaagd. U bent
zestien jaren lang uw eigen kat geweest. Als u zich dat niet heeft
gerealiseerd, is dat uw probleem, niet het mijne."
"Wel heb ik ooit!", riep Luciano uit. "Het is dus allemaal mijn eigen
schuld? Het spijt me maar volgens mij heeft u me gewoon ordinair voor
het lapje gehouden" - en zodra hij die woorden had uitgesproken, had hij
er acuut de pest aan, zonder te weten waarom.
Maar een paar seconden later verscheen er een beeld op zijn
netvlies, het beeld van een ietwat mollige lapjeskat waar hij in zijn
jonge jaren van twee levens geleden achteraan gezeten had. Hij wist niet
meer precies wat er was voorgevallen, maar gezien het misselijke gevoel
waarmee de herinnering gepaard ging, vermoedde hij dat ze hem op een
wellicht niet al te gracieuze wijze had afgewezen.
"Als er al iemand is die u voor het lapje heeft gehouden, bent u dat
zelf", repliceerde Einstein. Zijn stem en houding hadden iets
onwrikbaars, iets dat Luciano deed beseffen dat het geven van
tegengas uiteindelijk zinloos zou blijken.
"Ik wil graag klagen", verklaarde hij daarom.
"Dat kan", zei Einstein, "daarom bent u hier uiteindelijk, nietwaar. Klaagt u maar raak."
"Niet bij u", zei Luciano. "Ik wil elders klagen over de toestanden hier, met name over uw wanbeleid."
"Dan zult u moeten terugkeren naar de mensenwereld", antwoordde
Einstein. "Dat is de enige wereld waarin men zich tot in de finesses in
het klagen heeft gespecialiseerd. In de dierenwereld wordt nauwelijks
geklaagd en in de plantenwereld wordt hooguit onhoorbaar gezucht. Dus
zegt u het maar, de keus is aan u."
"Van m'n leven niet weer naar de mensen!", riep Luciano onverwacht fel.
"Een mens zijn is wel het beroerdste wat een mens kan overkomen. Dat
gedenk, dat eeuwige gedenk. Ik word er haast onpasselijk van als ik er
aan denk."
"Dat lijkt me duidelijk", zei Einstein en het leek of hij even glimlachte.
"Welnu", vervolgende hij, "nu we op dit punt zijn aanbeland, is het
wellicht zinniger om het onderwerp van uw klacht onder de loep te nemen
voordat u daadwerkelijk aanvangt met klagen. Voor de goede orde
formuleer ik uw klacht nog even. U klacht luidt: Ik neem het u kwalijk dat ik me niet heb gerealiseerd dat ik tijdens mijn laatste leven mijn eigen kat ben geweest."
"Protest", zei Luciano. "Uw formulering insinueert dat ik weliswaar mijn
eigen kat ben geweest maar dat ik me gedurende mijn leven als mijn
eigen kat in een dusdanig troebele geestestoestand bevond dat dit feit
niet tot me doorgedrongen is."
"Exact", knikte Einstein.
"Wat een flauwekul", zei Luciano, heus verontwaardigd nu. "Ik meen me
uit ons vorige onderhoud te herinneren dat u net als ik niets van religie
moet weten, nou, daar merk ik eerlijk gezegd bar weinig van want u
hanteert hetzelfde principe. Pappen en nathouden enzovoort, en
uiteindelijk houdt u mij gewoon voor het la... stuurt u mij met een
kluitje het riet in."
"Dus u bent van mening dat men enkel is wat men beseft?"
Einstein bleef serieus.
"Dat klopt", beaamde Luciano. "Natuurlijk zijn er gevallen waaruit
achteraf pas blijkt dat men iets was of had zonder dat men dat op het
betreffende moment besefte, zoals een ziekte of een verborgen schat in
de achtertuin. Maar het hele punt is dat iets dergelijks achteraf te
bewíjzen valt. Er zijn feiten. Wat u me probeert wijs te maken, berust
op geen enkele feitelijkheid en raakt dus kant noch wal."
Nu zuchtte Einstein even heel diep.
"Ik bewonder uw welbespraaktheid en uw heldere geest", zei hij
uiteindelijk, "maar ik verfoei het egoïsche ervan. Ik had gedacht, of
beter gezegd, gehoopt... ach weet u, het doet er niet toe. Het is het
woord "eigen" waarmee u niet uit de voeten kunt, nietwaar. Want u zult
het met me eens zijn dat u de afgelopen jaren een kat bent geweest."
"Ik was een kat", knikte Luciano, "een kater, een rooie."
"Dus het bezit is het probleem."
"Het gebrék aan bezit zult u bedoelen. Ik was gewoon een kat, niet mijn
eigen. In feite was ik niemands kat. Zelfs dat oude wijf wilde me niet."
"Dat moet akelig zijn geweest", leefde Einstein mee. En toen: "Kunt u
voor mij definiëren wat u verstaat onder eigendom, onder bezit?"
Luciano bewoog zijn schouders even op en neer.
"Eigendom", sprak hij toen bedachtzaam, "staat gelijk aan bezit dat men
zich rechtmatig heeft toegeëigend. In mijn voorlaatste leven werkte ik
voor bezit of verkreeg ik het gratis als het lot me gunstig gezind was.
Tijdens het leven dat ik zojuist achter de rug heb, ging het er qua
rechtmatigheid wat primitiever aan toe; ik schuurde mijn lijf langs dat
wat ik als het mijne wilde of in het nadrukkelijkste geval pieste ik er
tegenaan en vervolgens rook eenieder dat het betreffende object van mij
was en van niemand anders."
"Dus de manier waarop bezit wordt geclaimd verschilt tussen mens en dier al behoorlijk."
"Dat klopt, maar daar gaat het niet om. Het was uw taak om mij het bezit
van mezelf als mijn eigen kat te doen verkrijgen en de mate
waarin u zich van deze taak heeft gekweten is wat mijn betreft hetgeen
ter discussie staat. U kunt blijven herhalen dat het allemaal
komt door mijn gebrek aan ervaringscapaciteit maar zoals gezegd lijkt
mij dat volslagen zinloos aangezien u uw beweringen nergens kunt
staven."
Het bleef een tijdje stil.
"Ik zal u een geheim verklappen", sprak Einstein toen. "Het is zo ongeveer
het best bewaarde geheim ooit, in ieder geval onder de mensheid, al
lijkt er een kentering op handen te zijn. Bezit, beste Luciano, is
fictief. Bezit is alles en niets en van niemand en iedereen tegelijk."
"Aha", zei Luciano, "u bent een communist. Nu gaat u me vast vertellen
dat ik ieders eigendom en dus ook dat van mezelf ben geweest."
"Ik ga u iets anders vertellen", zei Einstein slechts - en hij vertelde.
"Er was eens een man die, toen hij nog behoorlijk jong was, om zich heen keek en een formule ontwaarde die leek te werken voor het leven in het algemeen en, naar hij vermoedde, in het bijzonder voor het zijne. Die regel luidde: Ik heb dus ik ben.
Toen hij dit eenmaal besefte, ontplooide zich in zijn geest een ijver die alom werd bewonderd. Tegen luie, trage en gemakzuchtige mensen zei men dat ze eens een voorbeeld moesten nemen aan Gerrit Jan! Die wist van aanpakken; die verdeed zijn tijd tenminste niet met miezemuizen en met drammen over nonsens. En het had hem geen windeieren gelegd; op zijn vijftigste was hij de bekendste en meest gerespecteerde antiquair van het land.
Zelf genoot hij van de aandacht, het aanzien en het geld, maar net als bij de aankoop van een nieuw kunstwerk werd dat schrale bezit na verloop van tijd zonder pardon vervangen door zijn behoefte aan méér. Zijn passie kreeg een verbetenheid die men wellicht voor vechtlust aanzag maar die hem in feite slechts opjoeg. En toen, op de avond voor de dag waarop hij terug zou komen uit Parijs, met in zijn binnenzak het bewijs van aankoop van..."
"Ja hou maar op", onderbrak Luciano Einsteins woordenstroom. "Ik wéét wat er die avond is gebeurd; ik heb het allemaal gezien. Ik zat al die tijd op een van die stoffige balken en geloof me, ik heb geblazen tot ik geen lucht meer in mijn longen had."
"De inbraak brak hem", ging Einstein onverstoorbaar door. "Hij was zichzelf niet meer, in de meest letterlijke zin des woords. Hij die steeds gemeend had te zijn wat hij bezat, bezat enkel nog een rode kater die plotsklaps oud en ziekelijk scheen."
Luciano geeuwde.
"En in zijn hart broeide de rancune. Het hield hem levend, gaande. Hij werd een beetje zonderling, een beetje een kniesoor naar men zei. De laatste jaren van zijn leven was hij erg terneergeslagen en depressief. De inbrekers werden nooit gepakt en ten slotte zag hij nog maar één manier om hun identiteit te achterhalen... ten slotte had hij nog maar één wens."
Doordringend keek Einstein hem aan.
"En nu u die wens als niet-vervuld beschouwt, wat dunkt u, zou het kunnen zijn dat u zich niet heeft gerealiseerd dat u uw eigen kat was omdat u diep van binnen besefte dat bezit er uiteindelijk niet toe doet?"
"Flauwekul", zei Luciano. "Niets anders dan psychologisch klinkend gewauwel. Ik denk dat ik een schadevergoeding wil. Ik wil terug wat ik als mens bij leven heb verloren."
"Dat is onmogelijk", antwoordde Einstein, "om de simpele reden dat u in het licht van het hiernamaals niets wezenlijks hebt verloren. U bent al die tijd geweest en gebleven wat u was. U was daarbij een mens die zich opwond over omstandigheden; daartoe heeft u zelf besloten, dat kunt u mij niet kwalijk nemen."
Luciano geeuwde opnieuw.
"Het enige dat er nu nog op zit is dat u zich in een volgend leven toelegt op het doorgronden van de illusie van bezit. Want zeg nu zelf, toen die lapjeskat en dat oude wijf in haar jongere jaren u afwezen, heeft dat iets afgedaan van wie u was? Misschien heeft u besloten zich gekrenkt te voelen en was u aldus in het bezit van een gevoel van gekrenktheid; evenwel was u nog steeds wie u was. Dus, wat denkt u ervan? Wat mag het ditmaal zijn?"
Er viel een hele lange stilte.
"Tja", zei Luciano eindelijk. "Weet u, dat hele verhaal over hebben en zijn klinkt al met al best interessant, maar het is me eerlijk gezegd gewoon te vermoeiend. Laat me in mijn volgende leven liever maar iets statisch zijn, dan ben ik tenminste af van al die ingewikkelde toestanden."
"Staticiteit is optisch bedrog van de geest, mijn beste", weerlegde Einstein echter. "Wat het brein waarneemt als vormvast en stabiel is in feite één dansende massa en een nimmer aflatend zich samentrekken en zich weer ontspannen."
"Dat zij dan maar zo", zei Luciano. Hij was het behoorlijk zat nu en hij voelde zich lamlendig.
"Ik doe het met alle plezier met wat u insinueert als optisch bedrog. Ik vermoed namelijk dat het me hoe dan ook rust zal brengen en dat is het enige wat ik nog wens."
"Zoals u wilt", zei Einstein. Hij oogde wat ontgoocheld maar Luciano veinsde dat niet te zien.
"Wat mag het worden?"
Luciano dacht een aantal minuten heel diep na maar hij kwam er niet uit.
"Wat adviseert u mij?", vroeg hij ten slotte.
Einstein krabde even over zijn kale schedel. Het was tegen alle regels in om een ziel te adviseren over diens toekomstige stoffelijke hoedanigheid, maar Luciano zag er zo mismoedig uit dat hij zijn hand over zijn hart streek en een en ander voor eenmaal door de vingers zag.
Hij stond op, wenkte Luciano en nam hem mee naar buiten.
Woordeloos wees hij omhoog.
Luciano keek, begreep en stemde in.
Beiden gingen weer naar binnen, waar Einstein zwijgend de verrassend eenvoudige handeling uitvoerde.
Nadien waste hij zijn handen, liep opnieuw naar buiten en staarde naar de hemel.
En daar stond hij, Luciano, te schitteren tussen miljoenen andere zielen die ooit net zo'n verstandig besluit namen als hij.
juni/juli 2010
|
|
|
 |
 My best friend's wedding
Vermoorde lievelingen
|
20 Juni 2010 | 21:51:39
 |
i haven't planned
this being sick
of standing overhere
it's just the look
of black and white
that makes me so aware
i often saw
that little thing
that special kind of smile
so willing to
be confident
to hide me for a while
so many times
i got you near
i almost caught your eyes
but then you turned
and disappeared
in something i don't like
you talk her
you carry to her
you make her dreams come true
and i just wear
the loneliness
of carrying my blues
(ca. 2001) voor A.H. |
|
|
 |
 Een nazomer - slot
Verhalen
|
14 Juni 2010 | 21:03:18
 |
Ik lag in bed, onder een vaalblauw ziekenhuisdekbed. Het ding gaf nauwelijks warmte en ik wist zeker dat de vorm van mijn lichaam er duidelijk door zichtbaar was. De kamer was veel slechter dan degene die ik eerder had, maar het was de enige die nog vrij bleek toen Aimé en ik aangaven nog een nacht te willen blijven.
Automatisch had ik het bed aan de rechterkant gekozen, zodat ik net als vroeger de deur links van me wist. Mocht ik een nachtmerrie krijgen of mocht de geschiedenis zich onverhoopt herhalen, dan zou dat in ieder geval geen verwarring scheppen; ik zou blindelings weten waar het vandaan kwam en waarheen ik zou kunnen ontsnappen - als ik geluk had.
Mijn maag knorde nadrukkelijk, een zuiver, rein geluid. De honger, ik had hem in de zomer veel harder nodig dan 's winters. De zomer werd verondersteld zo mooi te zijn, schitterend op een niveau waar ik niet bij kon. De winter, de koude, de natte en tanende dagen, die lagen me beter. Ik was veel beter in slecht en laag en minder en aflopend dan in goed en hoog en rijzend en ontluikend. Hoe slechter de omstandigheid, hoe beter ik werd. Niet heel laag kon ik dan meer vallen, vrij eenvoudig kon ik dan stijgen. Al vaak had ik vermoed dat ik het uitstekend zou doen tijdens een oorlog, een ramp - of een hongersnood.
De combinatie van hitte en knagende honger deed iets met me waar ik oneindig rustig van werd. Alsof er iets vereffend werd, iets van levensbelang. Het nam mijn doodsangst weg, had ik ooit tijdens wat als een zeldzaam verlicht moment voelde gedacht, al wist ik niet zeker of 'doodsangst' in dit geval wel letterlijk stond voor angst voor de dood. Het had meer weg van iets wurgends, iets dat de dood tot gevolg kon hebben.
Ik was gereed, in tegenstelling tot Aimé. Ik wist niet zeker of ik zijn gedraal in de badkamer idioot of vertederend vond maar het maakte me hoe dan ook een beetje zenuwachtig. Even was ik bang dat ik van de weeromstuit zou gaan zweten en dat mijn overal aanwezige parfum zou verzouten. Dat mocht niet gebeuren. Ik was perfect; perfect gewassen, perfect geschoren, perfect nog net niet naakt in mijn roze stukje tule. Ik rook heerlijk naar Naomagic en ik hoefde niet te plassen.
Toen het eenmaal duidelijk was dat we samen de nacht zouden doorbrengen, had ik Aimé louter ter voorbereiding getaxeerd. Middelgroot, rechtsdragend. Veel verder was ik niet gekomen maar ik kende de mannen van zijn leeftijd en al met al was het vooral veel van hetzelfde. Qua uiterlijk dan, niet qua conditie. Wat dat betreft vermoedde ik dat Aimé zo'n vlug-in-de-pan type was, mijn favoriete beschrijving voor mannen die zich aanvankelijk geneerden, vervolgens het nog maar zelden losgelaten en dus onbesuisde beest voor even bevrijdden, ontlaadden en vervolgens óf niet wisten hoe snel ze zich uit de voeten moesten maken, óf wat begonnen te snotteren alvorens er een inmiddels overbekend verhaal volgde. Zo zou het ook vanavond gaan en goddank was ik op mijn best: wakker en in control.
De minuten tikten weg. Zou hij zich wellicht schamen voor het feit dat ik zo eenvoudig had gevonden wat hij aanvankelijk niet eens had gezocht en waarvan hij vervolgens niet wist hoe hij het moest vinden? Wat het ook was waarvoor hij zich schaamde en waarom hij bleef dralen, het was niet nodig. Ik had me voor ongeveer alles van mezelf geschaamd, maar ik geloofde ook in iets dat groter is dan schaamte, iets dat bij machte is schaamte op te heffen zoals een inktwisser een vulpenschrift.
Het was er vanavond, hier. Ik voelde het. De breekbare kracht die me wijs en teder maakte, zeer stoffelijk en toch bovenaards. De reden waarom de mannen van me hielden, vooral mannen van Aimé's leeftijd, al realiseerden ze zich dat zelf waarschijnlijk niet.
Eindelijk kwam hij uit de badkamer. Hij droeg een wit hemd en een lange witte onderbroek. Zonder me aan te kijken maakte hij dat hij zo snel mogelijk in bed lag, onder het dunne blauwe dekbed. Pas toen draaide hij zich naar me toe.
"Je hoeft niet bang te zijn."
Och gut. Wilde hij het zó spelen? Ik kende mannen die erop kickten te doen alsof ik hun dochter was. Wat dat betreft had ik mijn uitstraling mee; ik oogde niet zozeer jonger maar wel maagdelijker dan ik was.
"Zie ik eruit alsof ik bang ben?"
Ik vond het leuk om vragen op deze manier te beantwoorden. Ik hield sowieso van grappige, onzinnige antwoorden, vooral als de situatie daar eigenlijk niet naar was.
"Ben je daar vrouwtje?"
"Nee papa."
"Je ziet er vooral móe uit", zei Aimé. "Probeer maar wat te slapen. Welterusten."
Hij draaide zich weer van me af. Ik zag zijn achterhoofd met de kippah van huid, zijn vleesnek en zijn hompige schouders met de levervlekken net boven het dekbed. Niet veel later hoorde ik zijn ademhaling veranderen; om de drie à vier seconden ontsnapte een klein pufje uit zijn neus.
Mijn lichaam voelde gespannen. Dit ging een lange nacht worden; ik kende deze nachten. Tot een uur of twee zou ik uit alle macht proberen in slaap te vallen terwijl ik begon te zweten en telkens moest plassen. Daarna zou ik berusten in het feit van een doorwaakte nacht, om me vervolgens ergens tussen vijf en zes van louter uitputting volledig te kunnen ontspannen waardoor ik alsnog in slaap viel - hoogstwaarschijnlijk dromend dat ik wakker lag. Een uurtje later zou Aimé me wekken om te nemen wat hij nu al had kunnen hebben. Ik had me kennelijk in hem vergist; hij was zeldzamer in zijn soort dan ik had gedacht. Mannen als hij waren doorgaans niet van het ochtendhout en de vroege wip, maar hoe meer ik er over nadacht, hoe logischer het leek dat een wat groezelige, wat excentrieke man op leeftijd zijn dag begon zoals Aimé hem morgenochtend zou beginnen, zodat hij 's avonds kon doen waar hij mijns inziens het beste in was: slapen.
De nacht verliep zoals ik had voorspeld. Mijn lichaam kende geen geheimen. Het werd klam, ik kreeg hoofdpijn en om het half uur sloop ik naar de badkamer om mijn blaas te legen terwijl Aimé sliep. Tegen de ochtend voelde ik de bekende rillingen door mijn ledematen en mijn ijskoude voeten warmden wat op. Liggend op mijn buik doezelde ik weg. Ik droomde dat de tijd heel traag verstreek en toen ging de wekker.
Aimé sliep nog steeds. God wat kon die man slapen. Maar één ding moest ik hem nageven: hij had niet liggen snurken, snuiven of knarsetanden en zelfs het ritmische gepuf was verdwenen.
Al met al voelde ik me redelijk helder en ik begon na te denken over de dag. We hadden nog uren voor ons vliegtuig vertrok en over hoe het na de landing verder moest had ik nog niets concreets in gedachten, maar ik vertrouwde op de intelligentie van het lot die ons zou leiden, precies tot daar waar tijdens de laatste oorlogsdagen alles was begonnen.
Ik besteedde ongeveer een uur aan het me inbeelden van Aimé's potentiële reacties en de mijne daarop en toen ik al het denkbare in ogenschouw had genomen, vond ik het tijd om Aimé wakker te maken. Als we ons haastten, had hij nog een half uurtje voor dat wat er nu eindelijk maar eens van moest komen.
In mijn roze stukje tule stond ik op. Mijn tepels reageerden op de ochtendkoelte. Ik zag ze en prees wat ze suggereerden. Mijn rechterhand raakte Aimé's schouder. Toen er geen reactie volgde, voegde ik mijn linker erbij. Ze gleden omlaag en vervolgens naar binnen, naar zijn buik en omhoog naar zijn borst. Ik blies mijn adem in zijn nek - adem van dichtbij voelt altijd heet - en nog steeds lag Aimé doodstil. Met een vleugje onrust gaf ik hem een por en nog een. Geen reactie.
"O mijn God."
Dit was niet langer mijn leven, dit was mijn leven in een film of in een slechte episode uit een soap. Ik deed wat ik mensen op zulke momenten had zien doen. Ik voelde zijn hals, zijn pols en zelfs zijn schrompelige lies. Er was niets.
In boeken zou nu staan dat er iets bij me knapte, maar dat was niet wat er gebeurde; er maakte juist iets contact.
Ik schreeuwde het uit. Ik krijste me het schuim op mijn lippen. Alle woorden die ik tot nog toe met een medelijdend lachje had gelezen en gehoord, rolden uit de grot van mijn hart.
"Hufter! Klootzak! Lafbek! Vieze vuile gore nietsnut! Akelige rottige zak dat je bent! Je hebt mijn leven verpest! Mijn leven verpest! Mijn hele godvergeten rottige kutleven heb je verpest jij! Rotzak, rotzak, rótzak!", en bij gebrek aan een uitgebreidere vocabulaire bleef ik het herhalen tot ik gierde van het huilen en er op de deur werd gebonsd.
Toen het tot me doordrong dat Aimé ook daarop niet zou reageren, besefte ik dat ik degene was die open moest doen.
juni 2010
|
|
|
 |
 Sneeuwversje
Gedichten
|
15 Februari 2010 | 19:31:04
 |
de wereld is een gladjanus
de zon doet uit de hoogte:
hij zit al dagen onverguld
verscholen in zijn wolkenschulp
de lente te voorkomen
de aarde oogt verleidend zacht
en lacht als nooit tevoren
want in die witte wattenvacht
omhult door hemelklederdracht
lig ik. ondersteboven.
januari/februari 2010
|
|
|
 |
 The Cheryl Cole ft. Corianne kittycat song ^^
Songteksten
|
13 December 2009 | 21:35:57
 |
|
Too much of window-ledge can make me sick
Even a chair can be a curse
Makes it hard to know which place to lay down
But standing too long can get me hurt
Is it better? Is it worse?
Are you noticing my purr's?
Please don't tell me to go backwards
I know where I want this to go
You're wanting fast but let's go slow
What I don't wanna do is leave now
Just know that I'm not in this place alone
There's always a lap for me that I can call home
Whenever I feel like we're going to part
Let me just sit sit sit sit close to your heart
Anyone who's worth having
Is sure enough worth laying on
Leaving's out of the question
When you are hurrying I'll lay some more
I'm gonna lay lay lay lay lay on your lap
I'm gonna lay lay lay lay lay on your lap
I'm gonna lay lay lay lay lay on your lap
If you're worth having, you're worth laying on
Your working days ain't gon' be no picnic
They ain't no walk with a dog
All I can do is make the best of it now
Can't be afraid of the clock
Just know that I'm not in this place alone
There's always a lap for me that I can call home
Whenever I feel like we're going to part
Let me just sit sit sit sit close to your heart
Anyone who's worth having
Is sure enough worth laying on
Leaving's out of the question
When you are hurrying I'll lay some more
I'm gonna lay lay lay lay lay on your lap
I'm gonna lay lay lay lay lay on your lap
I'm gonna lay lay lay lay lay on your lap
If you're worth having, you're worth laying on
I don't know where you're heading
Be sure I'm not ready to go
You can't drive it so fast you just need to slow down
And just roll...
[ON THE FLOOR!]
Anyone who's worth having
Is sure enough worth laying on
Leaving's out of the question
When you are hurrying I'll lay some more
I'm gonna lay lay lay lay lay on your lap
I'm gonna lay lay lay lay lay on your lap
I'm gonna lay lay lay lay lay on your lap
If you're worth having, you're worth laying on
I'm gonna lay lay lay lay lay on your lap
I'm gonna lay lay lay lay lay on your lap
I'm gonna lay lay lay lay lay on your lap
If you're worth having, you're worth laying on
=^..^=
^^ december 2009
|
|
|
 |
 Punt
Vermoorde lievelingen
|
20 Oktober 2009 | 00:15:06
 |
'De Engelsen noemen het the point of no return', zei hij terwijl de muisgrijze kater langs mijn benen streek. Ik knikte ten teken dat ik die uitdrukking kende en hij ging verder:
'The point of no return beredeneren is in feite zinloos, weet je. Dat weet jij ook, nietwaar? Dat moet je ervaren hebben. Dat kan niet anders.'
Opnieuw knikte ik. Toen vermoedde ik dat zijn vraag om een krachtiger bevestiging dan een hoofdknik vroeg en ik voegde eraan toe:
'Het is een emotie en emoties laten zich niet dicteren door gedachten.'
Het woord 'dicteren' voelde goed.
'Bijna. The point of no return', declameerde hij, 'is het punt waarop gedachten simpelweg verdwijnen, tezamen met al hun slangvormige aanhangselen. Angst, twijfel, schroom, nervositeit, dom geprakkezeer, allemaal weg. Het is het breekpunt van wat verontrust, het is het begin van die zalige toestand van het geleid worden door...'
Zijn bruine ogen waren groot en intens achter de brillenglazen. Het was de intensiteit van de wetenschapper die het vormsel van zijn brein aan iets menselijks paart. Ik wist niet waarom het plotseling leek alsof die ogen me buiten sloten; ik wist slechts dat ik naar binnen wilde.
'Door de extase. De vereniging. De samensmelting', zei ik.
Ik hield ervan de dingen in drievoud te benoemen. Het had iets poëtisch, iets etherisch, iets dat mijn grigula tot leven bracht.
'Daarvóór nog', fluisterde hij bijna, 'je gaat te snel my dear. Je praat over het resultaat en je slaat de aanleiding over. De aandrijving, de aandrijfpook. Wacht even. Denk even niets, wees nergens op gericht. We moeten terug.'
'Oké', fluisterde ik een beetje beschaamd zonder exact te weten waarvoor ik me schaamde.
'Het kan de oorzaak van je issues zijn, die resultaatgerichtheid', zei hij, op normale toon nu weer. 'Het is niet eens heel erg want je bent nog jong. Negentien. O my god negentien. En zo vol belofte. Dat weet jij ook, nietwaar? En ik zie de onrust in je kloppen, want wat als je erop gaat zitten en de jaren verstrijken. Wees niet bang, Mathilde. Wees niet bang.'
Ik heette geen Mathilde maar ik begreep waarom hij me op dit moment zo noemde. Het was een naam als een wrangmoedige streling.
'Ja, daar ga je weer. Je gedachten. Ik ben niet bang, ik ben niet bang. Of geraffineerder nog: deze angst dat ben ik niet, deze angst dat ben ik niet. Hou maar op. Stil zijn nu oké?'
'Oké', zei ik weer. Ik wilde er 'sorry' aan toevoegen maar 'sorry' kwam me opeens voor als een redenatiewoord bij uitstek en dat soort woorden moest ik momenteel zien te vermijden, zoveel had ik al wel geleerd.
'Hier.' Hij stak zijn hand naar me uit en een impuls van louter beleefdheid deed me die hand vastpakken.
Tot nog toe had ik geen speciale aandacht aan zijn handen besteed maar nu moest ik wel. Zoals hij uit de donkerblauwe boord stak was het een beetje een eenzame hand, een op zichzelf staande bijna. De hand der zelfredzaamheid. De kattenstreelhand ook.
We hielden elkaars hand vast alsof we elkaar feliciteerden, condoleerden. Hij boog zich voorover, ik hield mijn rug zo kaarsrecht mogelijk. Er waren grenzen.
'Zie je', zei hij, 'dit is hoe het begint. Met een simpele daad. Iets waartoe je in gedachten in een bliksemflits besloten hebt. Veronachtzaam dat besluit niet. Wees je bewust van het begin. Van het besluit. De keuze tussen ja of nee, dit of dat, jij één of jij twee.
Ja', het vuur spatte uit zijn ogen, 'dit is het en dit is waar het mis gaat. Het besluit wordt óf veronachtzaamd óf het wordt tot in het ridicule uitvergroot. Aanvaard het gewoon, zondermeer. Hier, dit, mijn hand. Het begin. Jij twee.'
Zijn ogen brandden in de mijne. Wat verwachtte hij? Wat moest ik zeggen, zuchten? Moest ik me overgeven en zo ja, dan zwijgend of juist met veel uiterlijk vertoon?
Een jaar geleden had ik mijn eerste en tot nog toe enige vriendje gehad. Ik was niet eens verliefd al had ik mijn best gedaan dat wel te zijn. Hij had me mijn eerste echte zoen gegeven, een flabberig ding dat als een ongecontroleerde big iets met mijn mond probeerde. Hartstocht was het enige woord dat door mijn hersens banjerde, ik moest hartstocht simuleren, net zolang totdat de hartstocht zelf de boel zou overnemen. Met een filmisch gebaar had ik mijn paraplu op de grond gesmeten.
'Niet zo heftig', had hij gelachen en ik voelde me verraden, maar dan vanaf de verkeerde kant.
Deze man wilde ik niet verraden met simuleren en proberen - maar ook hartgrondig niet-proberen kwam uiteindelijk op hetzelfde neer. Waardeloos.
'Klaar?', vroeg hij.
'Dat weet ik niet', zei ik en zijn ogen bedankten me voor mijn eerlijkheid.
Dan doe je het maar zonder klaar te zijn, zei een stem. Ik keek op. Zijn lippen waren niet vaneen geweken en bovendien was het een vrouwenstem geweest. Mijn moeder? Nee. Ja. Mijn Moeder. Eva, Maria, de Bruid van het Lam.
Ik glimlachte en hij zei: 'Goed zo. Heel goed', en nog steeds waren zijn lippen gesloten.
Wat nu?
'Niets. Dit.'
Dank u, Moeder.
'En stop.'
Zijn hand liet de mijne los en ik kreunde als een halverwege in de steek gelaten minnares.
'Je bent zo gulzig', glimlachte hij. 'Niet dat dat zo erg is, maar het maakt alles zo hortend. Ja. De jeugd, de beginnelingen, ze doen het allemaal zo hortend. Zo ongecontroleerd. Ik neem het je niet kwalijk want je bent nog jong. Laat je er niet door afschrikken maar ga er ook niet op zitten.'
Ik was weer op aarde. Ik wilde weer terug. Ik liet dat met een klein geluidje weten.
'Ja meisje, ja. Het is voor jou. Dadelijk. Je moet oefenen weet je. Oefenen, oefenen, oefenen. Je was er bijna nietwaar? Wees niet verontwaardigd nu. Ik heb je niets onthouden en ik heb je niets afgepakt. Het is er nog. Het is er altijd. Je hoeft alleen maar te doen wat je zojuist deed.'
Weer zijn hand. Nu twijfelde ik. Mijn leven lang had ik gezworen bij eenmaligheid; de wetten der herhaling waren voor de afgematten, de pieklozen. Het maakte niet uit wat mijn fantasie ervan brouwde; mijn ogen constateerden een hand als een hand. Dit was mijn leven niet.
Ik weigerde en hij zei: 'Je weigert' en ik zei: 'Je hebt me bestolen.'
'Nee', zei hij.
Ik zag zijn ogen, donkerbruin als het bureautje dat ik voor mijn twaalfde verjaardag kreeg. Voordien schreef ik mijn verhalen op mijn knieën voor mijn bed en achteraf gezien moet dat de beste houding zijn geweest; angst hield blijkbaar niet van knielen. Toen ik zittend was gaan schrijven ging het nog een tijdje goed en daarna steeds wat minder; angst hield blijkbaar wel van mijn post-puberteit. Uiteindelijk drukte mijn pen uit pure frustratie een gat in het bureaublad dat me sindsien zwart als een pupil aanstaart als ik tegen beter weten in weer eens een poging waag. Het enige wat ik tegenwoordig nog met het bureautje deed was poetsen. Dat hout scheen een bijzonder grote aantrekkingskracht op stof uit te oefenen, dus wreef ik het driemaal per week schoon en in met boenwas.
Nu diende het waarom zich aan. Was ik degene die het steeds opnieuw bevuilde? Was dat het? Waren al die stofjes niets anders dan de slangvormige aanhangselen van mijn gedachten die erop neerdwarrelden, al naar gelang ik ze aan de zwaartekracht onderwierp? Kwam daaruit mijn absurde drang tot schoonmaken voort?
Schoon, schoon, schoon. Oefenen, oefenen, oefenen. Drie tegen drie en één op één streden ze in mijn hersenpan. De muisgrijze kater keek mijn kant op, zijn staart trilde even.
'Ja', zei hij.
Om de een of andere reden ontspande ik me plotseling. Een andere hand voegde zich bij mijn andere hand. Elk mens zou nu zijn ogen sluiten want er staat geschreven dat verrukking niet compleet is met de ogen open. Ik had het in me deze wet te dagen.
'Het is in je Corianda', en het klonk zozeer als mijn naam dat ik het verschil niet eens wist te benoemen, 'en het is...'
Ik concentreerde me hevig. Het was zaak dit zich omhoog murrelende zozeer te benoemen dat het zich op eigen kracht kon voortjuichen.
'...als korianderzaad, wit, en de smaak ervan is als honingkoeken.'
Hij slaakte een kreet en ik wilde niet denken dat het als een orgasme klonk.
'Doe het', hijgde hij, 'meng het. Het zuurdesem, Coriande. Het is nog steeds niets zonder zuurdesem.'
Ik wist dat hij gelijk had. Ik liet het los, liet het over elkaar heen buitelen, elkaar achterna zitten, elkaar vangen, pakken, optillen, kietelen, ontkleden. Mijn gedachten of wat het ook was dat zich ontwrong aan dezelfde plek waar het begin van mijn ademhaling huisde, paarden zich aan elkaar, paarden, en ik wist dat dit het was, the point of no return, en dat er iets geboren zou gaan worden.
'Hier.'
Zijn hand leidde me naar de enige plek die ik tot nog toe had gemeden. Niet eens zozeer uit preutsheid of verlegenheid; voornamelijk omdat het zich lager bevond en zich altijd lager zou bevinden dan mijn hart. Nu was mijn hand er vlakbij en het bloed steeg naar mijn gezicht.
'Wees niet bang, Corianne. Het is de laatste stap, de laatste hindernis. Hierachter bevindt het zich. Het. Wees niet bang. Beledig het niet. Beledig het niet door niet te kijken. Beledig het ook niet door niet te kijken terwijl je kijkt. Hier is het. Het wapen, de sleutel, de tolk.'
Mijn hand, zijn hand, de opening. Zijn hand die de mijne alleen liet. Ik met mijn volle blik gericht op wat ik zag.
Mijn hersenen griezelden en krompen een beetje zoals een maag dat kan doen van iets zuurs. Maar ik zette door. Zo gaat het met baren en sterven, het is een kwestie van the point of no return zien te overleven.
Ik voelde het warme en zachtere en daarachter het koude en hardere. Daar reikte ik naar. Dat haalde ik tevoorschijn en hield ik in mijn hand.
Iemand kuste me.
Iemand liet me alleen.
Iemand gaf me meer dan ik ooit kon verbruiken.
Ik wist dat dit het moment was, het moment onmiddellijk volgend op the point of no return.
Voor ik de punt met het papier verenigde, zag ik nog net hoe de muisgrijze kater zich aan mijn voeten nestelde.
Ik schreef.
Dit, en niet meer dan dat.
19 oktober 2009 / 19 december 2009
met dank aan Jelmer, 2000
|
|
|
 |
 Rozen
Verhalen
|
12 September 2009 | 23:29:10
 |
Hij verafschuwt dit ontwaken. De grauwe slaapkamer, de kilte van de ochtend boven het dekbed. Vannacht al wist hij dat de hele toestand uiteindelijk weer zou resulteren in iets als dit, in dit ontnuchterende ochtendlicht. Van alles wat er gisteravond viel aan voorwerpen en woorden resteert alleen nog de daarop volgende stilte. En schuldgevoel. Of wellicht is het niet eens schuldgevoel maar spijt, die van het egoïstische soort.
Melanie slaapt nog of houdt zich slapend, dat weet je nooit bij haar. Hij besluit op te staan. Een stevige douche heeft hij nodig, samen met een flinke bak koffie. Het water stroomlijnt zijn lichaamshaar en verdrijft de dufheid uit zijn kop. Als hij de slaapkamer weer binnenkomt, ziet hij dat Melanie wakker is. Ze zit rechtop en kijkt hem aan met haar grote bruine ogen. Hondenogen, denkt hij wel eens. Ogen die een beroep doen op andermans medelijden terwijl ze zich tegelijkertijd verontschuldigen voor hun bestaan. Zoals ze daar zit met het haar langs haar gezicht lijkt ze hooguit vijfentwintig. Nu voelt hij zich pas echt een hufter en ook een beetje belachelijk, zo poedelnaakt middenin de slaapkamer.
Hij loopt naar haar toe, legt een hand op haar hoofd. Haar oogleden zijn dik.
'Het spijt me zo meisje. Het zal niet weer gebeuren.'
Ze knikt.
'En als het toch weer gebeurt, moet je de politie bellen.'
Ze knikt opnieuw.
Beiden weten wel beter.
Het zoveelste ontbijt. Tegenover een zwijgende Melanie bestudeert hij de motiefjes van zijn boerenbontbord. Zo hier en daar is de verf te dik of juist te dun aangebracht. Hij kent die onregelmatigheden inmiddels nagenoeg uit zijn hoofd. Vandaag heeft hij het bord met de te dikke gele stip. Hij kan die stip zelfs voelen als hij er met zijn vinger overheen glijdt. Om de een of andere reden komt dat bord vaak bij hem terecht. Hij voelt nog steeds meer voor het retro servies dat ze voor hun huwelijk aanschaften, maar volgens Melanie is dat inmiddels volkomen uit de mode. Boerenbont zou daarentegen tijdloos zijn. Hij heeft zich er maar bij neergelegd.
Zijn dochters zitten met hun melk en boterhammen op de bank. Machteld leest een boek terwijl ze eet, volgens haar de enige manier waarop ze 's ochtends iets door haar keel kan krijgen. Annabel kijkt naar een programma op MTV. Hij ziet dat ze weer een van haar extreem korte rokjes draagt. Heimelijk is hij best trots op haar, ze is zondermeer een kwaliteitskind. Ze heeft het figuur en het dikke roodbruine haar van Melanie en zijn stel hersens; ze zit in 3 Atheneum en is zowel bij de meisjes als de jongens heel geliefd. Aan Annabel is ongetwijfeld meer eer te behalen dan aan Machteld. Hij weet zich niet goed raad met dat kind. Hij zal het nooit hardop zeggen maar eigenlijk is het een beetje een misbakseltje. Haar gezicht is lang zo symmetrisch niet als dat van haar zus, haar haar is van een onopvallend soort middenblond en ze zit in de brugklas van de Mavo. Kortom, er is niets speciaals aan Machteld.
Hij blaast een broodkruimel naar de gele stip. Het is de kunst om hem op het dikst van de stip te laten balanceren. Vanochtend lukt hem dat.
'Zet dat kloteding eens uit', roept hij als de nieuwe Black Eyed Peas door de kamer stampt. Hij ergert zich er niet eens echt aan en bovendien is het het soort muziek waar Debby ook van houdt, maar hij heeft zin in wat interactie tussen hem en zijn oudste dochter. Dat kind heeft pit en dat heeft ze niet van Melanie.
'Doe het zelf', zegt Annabel gedachteloos. Haar rechtervoet beweegt op het ritme van het liedje, de kersjes op haar kniekous dansen mee.
'Prima.'
Hij staat op, neemt een duik. Op de bank vechten ze om de afstandsbediening tot Annabel het opgeeft, enkel en alleen om haar kapsel te sparen.
Hij grijnst. Zijn oudste dochter is een stoere meid, niet zo'n zeikerd als haar moeder of haar zus. Hij ziet hoe Melanie zit te kieskauwen op haar boterham met jam en hoe Machteld van hem weg kijkt. Het lijkt verdomme wel of dat kind bang voor hem is. Hij doet haar toch niks? Hij heeft haar nog nooit iets gedaan, zelfs nog nooit geslagen. Hij kan maar beter maken dat hij hier weg komt.
Met dit weer zijn de zandwegen in het bos nauwelijks begaanbaar. De modder spat tegen de zijkanten van zijn auto en hij neemt zich voor om nog even door de wasstraat te rijden voor hij naar de zaak gaat. Hij trapt het gaspedaal dieper in. De strijd tussen de autobanden en de zompige grond is hoorbaar en verdrijft het laatste restje ochtendloomheid uit zijn lijf.
Debby's oude Panda staat er al. Hij parkeert zijn wagen ernaast. Automatisch opent hij het bijrijdersportier voor de kleine, rondborstige Indonesische. Hoewel zijn stemming best redelijk te noemen is, heeft hij vandaag geen zin om aardig tegen haar te doen. Dat zal haar vast niet deren, hij heeft haar nog nooit uit haar humeur meegemaakt. Ze lacht en babbelt over de regen en over iets wat ze op de radio heeft gehoord, maar hij zegt dat ze moet opschieten.
Ze maakt zich nog kleiner dan ze al is. Snel en vakkundig doet ze waarvoor ze haar vrijwel dagelijkse tientje krijgt. Nog voor ze haar autootje heeft gestart, is hij al weer verdwenen.
Ellen brengt hem zijn koffie. Ze is van zijn leeftijd en ze werkt hier nog niet zo lang, maar er is iets aan haar dat hem irriteert. Zo nu en dan doet ze hem aan Melanie denken.
'Gaat het?', vraagt Ellen. 'Je kijkt zo zorgelijk.'
'Ja hoor, prima. Met jou ook?' Niet dat dat hem ook maar iets interesseert.
'Nou... ik wil eigenlijk even met je praten.'
Ellen gaat eigener beweging op een van de stoelen aan zijn vergadertafel zitten.
'Ga je gang.'
Hij schuift zijn bureaustoel naar achteren en draait een beetje heen en weer terwijl hij met zijn stropdas speelt.
'Ik heb het gevoel dat je je soms aan me ergert', zegt Ellen. 'Kijk, ik vind niet dat we hier allemaal ons hart op onze tong moeten dragen, maar ik hou wel van open communicatie. Als je iets tegen me hebt, heb ik liever dat je me dat gewoon tegen me zegt.'
O God. Dit moet er zo eentje zijn die ooit een verkeerd soort assertiviteitstraining heeft gevolgd.
'Wat zou ik tegen je moeten hebben?'
'Geen idee, maar zo voel ik me wel door je behandeld.'
'Volgens mij kun je dat beter uit je hoofd zetten. Er is wat mij betreft niets aan de hand.'
En rot alsjeblieft op met je gedram.
'Dat zeg je nu wel, maar non-verbaal komt het toch anders over.'
Wacht, misschien is hij van dit gezeik af als hij sorry zegt.
'Dat spijt me, ik zal er op letten. Kunnen we nu weer aan het werk?'
Hij hoort zelf dat het een beetje denigrerend klinkt, en Ellen blijkbaar ook.
'Dit bedoel ik dus. Je neemt me niet serieus en je maakt je overal zo snel mogelijk van af zodat je maar niet met je gedrag wordt geconfronteerd.'
'Oké, wat jij wilt, ik heb hier geen tijd voor. En nu moet ik een belangrijk telefoontje plegen.'
Hij pakt de hoorn op, doet alsof hij wat nummers intoetst.
'Ik heb medelijden met je', zegt Ellen vanuit de deuropening.
Hij knikt haar toe. Jij vliegt eruit dametje, linksom of rechtsom.
Twee avonden gaat het goed. Twee avonden bijt hij af en toe letterlijk op zijn knokkels maar hij weet zich te beheersen.
Dan barst de bom opnieuw.
Het is niet zijn schuld. Daar is hij van overtuigd. Hoeveel geduld hij dag in dag uit wel niet opbrengt. Soms moet hij het uit zijn tenen halen maar hij doet het. Hoeveel hij wel niet slikt van dat mens. Meer dan goed voor hem is. Hij wil dat ze weggaat. Niet voorgoed en niet volledig uit zijn leven, maar uit zijn gezichtsveld, zijn dampkring, zijn gevarenzone. Dat is alles wat hij wil. Geen gesprekken, geen sentiment. Hij wil vrij kunnen ademen en dat lukt in haar aanwezigheid nauwelijks meer.
In de loop der jaren is ze doorgeslagen. Van netjes werd ze dwangmatig poetserig. Van zachtmoedig werd ze saai. Van breed-geïnteresseerd werd ze onaflatend achterdochtig. Van meisjesachtig werd ze wat ze nu is: een vrouw wier jeugd onherroepelijk voorbij is, een vrouw die langzaam maar zeker met haar hele hebben en houwen in een denkbeeldige zitzak is beland. Naarmate ze daar lang genoeg in zat, nam haar lichaam ook een beetje de vorm van een zitzak aan. Hij durft te wedden dat ze sinds hun huwelijk minstens vijfentwintig kilo is aangekomen. In niets lijkt ze meer op het meisje waar hij verliefd op werd. Het meisje op de achterbank van zijn eerste auto, rank, langharig en met het blauw van de nacht op haar huid.
"And I act like I don't remember; Mary acts like she don't care."
Hij is er ingeluisd. In het leven, in een gril van de tijd. Hij walgt ervan. Hij walgt van dit, van deze avond, van Melanie die nota bene de rouwadvertenties in de krant zit te bestuderen. Het gaat hem wurgen als hij het er niet uit laat.
'Stom wijf. Stom waardeloos rotwijf.'
Hij krampt het er bijna uit. Onmiddellijk duikt Melanie een paar centimeter in elkaar. Hij ziet het en meteen heeft hij spijt, maar hij weet dat hij het niet meer kan stoppen. Het is als overgeven; na de eerste vlaag voel je je aanvankelijk opgelucht maar al snel merk je dat alles er tot op de bodem uit moet.
Hij staat op en maakt zich nog breder dan hij al is. Het wurgende gaat in zijn armen zitten.
'Hieuw', doet Melanie zacht. Dat geluidje maakt ze altijd op een moment als dit. Hij is het onbewust als een startsein gaan ervaren.
De belachelijke bol die ze van zichzelf maakt daagt zijn handen uit.
Een meisje met middenblond haar rent als een kat de straat op.
Weer die ochtend. Weer dat behaarde lijf, de blote voeten op de douchemat. Hij voelt zich klote en wil geen ontbijt. '7:45, 20 euro', smst hij Debby, wetend dat ze er zal zijn.
Ze is er. Zodra ze naast hem zit, voelt ze zijn stemming aan.
'O jij. O jij arme arme man. Kom hier. Kom maar bij Debby.'
Nu is zijn hoofd in haar schoot in plaats van omgekeerd. Hij sluit zijn ogen en zij streelt de laatste restjes blond in zijn haar. Haar nepgouden armband beweegt als een rammelaar voor zijn gezicht.
'Shhhh. Het is oké. Everything is oké. Je bent veilig... slaap kindje slaap... zie de maan schijnt door de bomen.'
Hij begrijpt zelf niet waarom die bullshit hem kalmeert maar het gebeurt.
Hij gelooft ook dat alles goed is nu. Hij moet er een beetje van huilen. Daarna is hij toch weer opgewonden.
Op weg naar kantoor voelt hij zich wat vreemd. Zijn hoofd is licht, zijn lichaam voelt uitgerekt en wil omhoog. Het zal wel door die wijven komen. Linksom of rechtsom zijn ze allemaal even sentimenteel en als je niet oppast, raak je er nog mee besmet ook. Hij werpt een blik in de achteruitkijkspiegel. Wenkbrauwen, ogen, begin van de neus. Alles is er nog. Mooi zo. Opeens is hij vol goede moed. Niet ten opzichte van iets specifieks, meer met betrekking tot zijn leven in het algemeen. Vanaf vandaag zal hij de dingen beter doen.
Hij stopt nog even bij de Shell, kijkt naar zijn hand terwijl de benzine naar binnen pulseert. Zijn hand, het ongeleide projectiel van gisteravond, nu volkomen onder controle. Het zal niet meer gebeuren. Het mag niet meer gebeuren. Als het weer naar boven komt, dat wurgende, zal hij voortaan aan dit moment denken.
Bij de deur van het winkeltje valt zijn oog op de bossen rode rozen. Hij telt ze; het zijn er twaalf per bos. Snel maakt hij een berekening. Als hij zes bossen koopt heeft hij er 26 voor Debby en 46 voor Melanie. Hij bukt zich en omvat de rozen met beide armen. Er nestelt zich iets donzigs in zijn hoofd. Dit is goed. Dit is uitstekend. Heal the world.
Ellen brengt hem zijn koffie. Hij glimlacht naar haar. O ja, hij is zich bewust van zijn akelig softe stemming maar hij wil dat donzige niet kwijt. Ze glimlacht zwijgend terug, precies zoals Melanie soms doet. Hij vraagt haar de bossen rozen in de keuken in een emmer met water te zetten en als ze al verbaasd is laat ze dat niet merken.
Ruim een uur later staat ze opnieuw aan zijn bureau. Zonder zijn tweede koffie.
'Ehm... er is bezoek voor je.'
'Oké.' Het witte pijltje zoekt in zijn agenda naar de afspraak.
'Ehm... ik geloof dat er iets gebeurd is. Het is namelijk... de politie is er.'
'Wat?'
'Ja. De politie.'
'Waar zijn ze? Beneden?'
'Ja.'
'Oké. Prima. Ik handel dat wel af. Ga jij weer aan het werk. Geen koffie.'
Mechanisch staat hij op. Het donzige neemt een duik, om vervolgens ergens tegen zijn hersenschors te verkwijnen.
Ze heeft het toch gedaan. Ze heeft toch gedaan wat hij haar liet beloven. Juist nu. Juist nu hij voelt dat alles anders wordt.
Het voelt oneerlijk maar hij is redelijk genoeg om te beseffen dat hij het er naar heeft gemaakt. Hij weet ook dat ontsnappen geen optie meer is. Gewapend met niet meer dan zijn goede manieren loopt hij de trap af.
'Heren.'
'Marc van Duijvenvoorde?'
'Zeker.'
Hij schudt hun handen en gaat hen voor naar een van de spreekkamers waar hij aan het hoofd van de tafel zitten. De jongste agent wil het woord nemen, maar hij is hem voor.
Terwijl hij de trap af liep heeft hij besloten de waarheid spreken, zonder excuses, zonder franje, zonder verzachtende omstandigheden. Dat is hij verschuldigd aan Melanie, of in ieder geval aan hun belofte waarin hij een tijdlang heeft geloofd.
'Heren. U heeft een makkelijke aan mij want ik beken bij voorbaat.'
De beide agenten kijken elkaar even aan.
'Dus u deed het expres?' vraagt de jongste dan.
'...of ik het expres deed? Kent u iemand die zoiets per ongeluk doet?'
'Waarom heeft u het gedaan?'
'Ik dacht niet na. Ik kon niet meer nadenken. Het was sterker dan ik. Zo gaat het altijd.'
'Altijd? U bedoelt dat u dit vaker doet?'
'Ja.'
'Waar zoal?'
'Gewoon thuis.'
'Thuis? Legt u dat eens uit.'
'Het gebeurt altijd thuis, nooit ergens anders.'
'Dat u dat gevoel krijgt dat u niet meer na kunt denken. Dat gebeurt thuis?'
'Ja.'
'En dan?'
'Dan doe ik het. Ik wil het niet. Ik heb het nooit gewild maar het is sterker dan ik.'
'Juist. Waar gaat u dan zoal heen?'
'Ik ga nergens heen, dat zei ik toch al? Het is alleen thuis gebeurt.'
Opnieuw kijken de agenten kijken elkaar aan.
'Mag ik u vragen waar u het precies over hebt?' vraagt de oudste dan.
Hij haalt zijn schouders op.
'Over... dat waarvoor u hier bent. Goed, u wilt waarschijnlijk dat ik het bij de naam noem.' Als vorm van kwelling, als dwang tot bewustwording.
'Graag.'
'Oké. Ik. Sla. Mijn. Vrouw. Marc van Duijvenvoorde slaat zijn vrouw, Melanie van Duijvenvoorde-Beckers. Geregistreerd?'
Hij was niet van plan om cynisch te doen maar de manier van vragen stellen staat hem niet aan. Wat hij ook is, hij is geen debiel.
'Juist. Dit is... interessant.'
De oudste knikt.
'Dit is niet direct waarvoor we naar u toe gekomen zijn, meneer van Duijvenvoorde.'
'Niet?'
'Nee.'
'Wat is er dan gebeurd? Iets met de kinderen?'
'Nee. Iets met benzine en rozen en niet betalen.'
augustus-september 2009
|
|
|
 |
 Mijn dorp
Gedichten
|
09 Augustus 2009 | 22:14:13
 |
niets bovengrondser dan dit dorp. niets
opwaartser gericht. de openbare orde
staart je recht in het gezicht en vordert
dat je haar aanbidt. er heerst een
ziekte als een god en alles kent maar
één gebod: gij zult niet zijn gehoord.
niets wijdverspreider dan het woord
dat eeuwig dient te zwijgen. niets
fluisterender dan het woud, niets
deinender en meer vertrouwd dan zijn
melaatse heide. niets schreeuwender
dan wat niet mag gezegd. mijn dorp
ik heb je als een kwaal ter heling
afgelegd. nog ben je mijn; ik heb je
niet verstoten. ik heb je lang genoeg
gespaard om als ik ooit zal zijn bejaard
je aarde te ontbloten, en wederkerig
als mijn vaders, te talen naar je schoot.
6 en 9 augustus 2009
voor E. - I'll be back |
|
|
 |
 Het wonder Minouet
Verhalen
|
22 Juli 2009 | 22:27:01
 |
'Ik snap werkelijk geen jota van dat mens', concludeer ik terwijl ik het inmiddels behoorlijk lijvige dossier dicht sla. De kaft is paars. Angststoornissen.
'Dat is bar weinig', zeg een stem achter me. Joris natuurlijk. Automatisch schiet mijn speciaal voor hem gecreëerde mechaniekje in stand nul: doodnormaal tot nonchalant gedrag.
'Ja', zeg ik alleen.
'Gaat het om Linda?'
Ik kijk op.
'Ja. Ze had vanochtend weer een afspraak maar we komen geen steek verder. Het is zo'n beetje voortdurend dweilen met de kraan open.'
'Vertel.'
Joris gaat op het bureau tegenover me zitten. Ik probeer stand nul te handhaven, wat niet de meest eenvoudige missie is. Joris is nu eenmaal... Joris, en dat weet hij zelf verrekte goed. Nu kijken zijn lichtblauwe ogen me geïnteresseerd aan en ik besluit dat er geen onraad is.
'Het probleem is, ze heeft van ongeveer alles wel wat en als het ene enigszins is opgelost, duikt er weer iets anders op. Daarom heb ik in de eerste plaats al geen idee hoe ik haar moet categoriseren. Ze hangt van losse eindjes aan elkaar. Ik zie geen samenhang, behalve een paar grote lijnen die logisch zouden moeten zijn maar dat ook niet echt blijken.'
Klink ik nu ondeskundig? Het is hoe dan ook de waarheid.
'Zullen we haar dossier samen eens doornemen?'
Even denk ik na. Joris is tien jaar ouder dan ik en heeft even zoveel jaren meer ervaring. Intussen is hij nog steeds Joris.
'Oké.'
'Nu?'
'Nu? Het is bijna half zes.'
Hij staat erom bekend dat hij als het even kan zo snel mogelijk naar zijn gezin gaat; zelfs in de lunchpauze piept hij er vaak even tussenuit.
'Ik heb geen haast, Elsbeth is met de kinderen bij haar ouders. Of moet jij weg?'
'Nee, niet per se.' Ik hoop alleen dat mijn maag niet zal laten merken dat ik om twaalf uur voor het laatst iets heb gegeten.
'Mooi zo. Bij het begin beginnen dan maar.'
Hij schuift een stoel naast de mijne en onmiddellijk ruik ik zijn aftershave. Ik vraag me af hoe hij het voor elkaar krijgt om die aan het einde van de werkdag nog steeds dusdanig ruikbaar te laten zijn. Zou hij zo nu en dan even wat bijspuiten? Hij is er ijdel genoeg voor. Ik verbijt een glimlach.
'Laat eens kijken. Vorig jaar december hier binnengekomen met eetstoornis NAO, drie maanden groepstherapie gevolgd. Hoe is haar eetgedrag nu?'
'Volgens zichzelf eet ze normaal. Ze heeft bijna tien jaar lopen klooien met eten en nu gaat alles blijkbaar prima.'
'Denk je dat ze liegt?'
'Nee, raar genoeg denk ik dat ze eerlijk is. Loog ze maar, dan konden we erop voortborduren nadat ik haar ontmaskerd had. Het lijkt wel alsof... zodra ze erover kan praten, zodra ze aandacht krijgt, verdwijnt het probleem.'
'Ja, die mensen heb je. Behalve eenzaamheid is er met dezulken meestal niet zo gek veel aan de hand. Maar goed, Linda's eetprobleem is dus verleden tijd maar een hoop andere problemen staan nog overeind. Die eetstoornis was dus eigenlijk een symptoom van iets anders.'
'Zoals zovaak', knik ik snel. Joris moet niet denken dat ik nog steeds niet weet dat een eetstoornis geen op zichzelf staand verschijnsel is.
Hij bladert door het dossier, bestudeert vluchtig de uitkomsten van de psychologische tests die Linda heeft gedaan. Ten slotte knikt hij.
'Inderdaad, een randverschijnseltje. Kenmerken van borderline maar niet voldoende voor de diagnose, kenmerken van een hele reeks angststoornissen maar idem. Haar verleden ziet er ook niet bepaald rooskleurig uit.'
'Toch krijg ik de indruk dat ze haar verleden kan handelen. Ze heeft al maanden geen contact meer met haar familie en dat schijnt haar heel goed te doen, en ze ziet de dingen heel helder, qua oorzaak en gevolg zeg maar. Wat dat betreft hoef ik haar niets te leren.'
'Tja, iets helder zien is nog iets anders dan het ook werkelijk in je eigen leven te kunnen toepassen.'
'Ik denk dat ze dat kan. Ze is er intelligent genoeg voor, ook emotioneel intelligent.'
'Klinkt als iemand die zowel het gereedschap als de twee rechterhanden heeft. Sommige dingen hebben tijd nodig, zeker als je jarenlang in je eentje hebt lopen tobben. Is ze niet gewoon ongeduldig?'
Ik schud mijn hoofd.
'Er is iets, maar ik weet niet wat. Linda is zo iemand die ik dolgraag onder hypnose zou willen laten brengen, alleen al uit nieuwsgierigheid. Ze is zo... contrasterend. Ze is doodsbang voor de dingen waar ze het meest van houdt en ik zou willen weten waar dat vandaan komt.'
'Tja...'
Joris maakt een dakje met zijn handen. Ik kijk naar zijn slanke bruine vingers, vraag me een moment af hoe het zou zijn om.
'Het kan zijn dat ze gewoon doodsbang is voor haar eigen mogelijkheden', vervolgt hij. 'Het is nu eenmaal veel geruststellender om te geloven in je beperkingen dan om te vermoeden dat je mogelijkheden eindeloos zijn. Ze zal daarin niet de enige zijn. Ze is wel de enige die die angst kan overwinnen en daarbij kun je haar natuurlijk wel begeleiden.'
Ik heb het gevoel dat ik specifieker moet zijn en ik verfoei de drempel die ik over moet om dat te doen.
'Volgens haar concentreren haar problemen zich op twee gebieden. Seks en haar kat, Minouet.'
*
'Vergeet het gewoon', zei Linda.
Ze zat tegenover me, de lage tafel met het gebruikelijke doosje tissues tussen ons in. Haar houding was altijd hetzelfde; haar benen over elkaar, haar rechterhand losjes in haar linker. Ik vermoedde dat ze het bovenste been niet op het onderste liet rusten maar steeds iets opgetild hield zodat haar dijbeen slanker leek. Veel meisjes hier, voornamelijk degenen met eetstoornisgerelateerde problemen, deden dat.
Al snel had ik begrepen dat ik uit haar lichaamstaal niet veel wijzer zou worden, daarvoor was ze voortdurend veel te zelfbewust. Maar ik bleek ook niet op haar lichaamstaal te zijn aangewezen. Dit meisje had de woorden, na verloop van tijd meer dan me aanstond. Als ze sprak was het alsof ze een hele doos vreemdsoortige, veelkleurige ingrediënten aan mijn voeten uitschudde en me vervolgens gebood er iets plausibels van te bakken. Dat was nogal eens niet de meest eenvoudige taak en bovendien beschikte ze over het soort logica dat niets voor vanzelfsprekend aanneemt tenzij ze het zelf als zodanig had ervaren.
De afgelopen weken hadden we diverse drama's doorgemaakt. Aanvankelijk spraken we vooral over het gezin waarin ze was opgegroeid. Ze was boos geweest en ze had gerouwd toen het tot haar doordrong dat haar ouders nooit van haar hadden gehouden om wie ze was. Sterker nog, verblind door hun eigen wensen en ideeën wisten ze niet eens wie ze was. Ik had gedacht dat ze op dat moment de bodem van de put had bereikt en dat ze vanaf daar langzaam maar zeker omhoog zou klimmen. Ze had er de capaciteiten voor, daar was ik van overtuigd, en zodra iets haar stimuleerde gaf ze blijk van een bovengemiddelde levenslust.
Maar er bleek meer aan de hand. Eerst kwam ze met wat ze zelf betitelde als haar sociale fobie. Het zich niet thuis voelen tussen de mensen, het zich niet op haar gemak voelen in sociale situaties. Lak hebben aan gezelligheid omdat het nergens toe dient. Gezelschap slechts kort voor lief kunnen nemen omdat het eigenlijk alleen maar stoort. Zich willen verstoppen omdat men haar toch niet begrijpt.
Daar tegenover stelde ze wat ze noemde haar narcisme. Ze bekende me met al dan niet gespeelde schuchterheid ervan overtuigd te zijn dat zij het beste was wat de wereld ooit was overkomen. Ze had alleen nog geen manier gevonden om de wereld daarvan te overtuigen. Dat kwam doordat 'iets' haar in de weg zat. Ik moest haar helpen dat uit de weg te ruimen.
Joris had me een boekje van Alice Miller gegeven. Ik had het dankbaar aanvaard. Al lezend openbaarde Linda's persoonlijkheid zich haast volmaakt aan mijn geest en daarbij kon ik me vinden in Millers redeneringen. Daarmee gewapend nodigde ik Linda deze ochtend opgewekt binnen, vast van plan om haar na mijn gebruikelijke 'Hoe gaat het met je?' mee te voeren langs de kronkelwegen van het hoogbegaafde kind.
'Vergeet alles wat ik de afgelopen weken heb verteld. Het doet er niet toe. Het waren alleen maar bijzaken.'
Ik realiseerde me dat er een stevig beroep op mijn flexibiliteit werd gedaan.
'Kennelijk waren die bijzaken toch belangrijk genoeg om met me te delen.'
Linda schudde heftig haar hoofd.
'Dat waren ze niet. Het is... ik raak altijd in de war van jullie. Jullie willen me terugdringen in wat ik inwendig allang overwonnen heb, in wat voor jullie logisch is. En dan maken jullie me aan het huilen om mijn ouders en dan denken jullie: kijk, ze huilt, we hebben haar gebroken, dit is het keerpunt en vanaf hier gaat alles beter. Het spijt me maar zo zit het niet. Zo werkt het niet bij mij. Ik kan alles al. Bijna alles. Twee dingen kan ik niet. Daar wil ik over praten en verder nergens meer over.'
Iets zei me dat ik boven alles de structuur moest bewaren. Iets anders zei me dat dit meisje pas toe was aan structuur als ze volkomen haar hart had gelucht en dat ik daarna wel weer ergens het overzicht over het geheel vandaan zou schrapen.
'Oké, ga je gang, ik luister.'
Ik hoorde zelf hoe mijn stem verried dat ik ietwat op mijn professionele teentjes was getrapt.
Linda leek nerveus. Dat leek ze wel vaker, maar ik had nooit geheel kunnen ontsnappen aan de gedachte dat ze de manier waarop ze haar emoties uitte altijd tot op zekere hoogte regisseerde. Deze vorm van nervositeit leek ze niet te regisseren; ze leek werkelijk verlegen met de woorden die zich nog binnensmonds bevonden. Haar linkerhand vormde een kleine vuist in haar rechter. Ze haalde diep adem.
'Ik kan geen seks hebben.'
Het had beschroomd of wanhopig moeten klinken maar het klonk haast vijandig en het brak meteen haar vocabulaire sluizen open.
'Ik begrijp het niet! In mijn hoofd ben ik er vaak zo dichtbij. Dat is al jaren zo. Heb je ooit een achtjarig kind ontmoet dat fantaseert over seks met alles erop en eraan? Hier zit er zo eentje. En ik was pas twaalf toen ik het zo ontzettend vóelde dat het me niet mogelijk leek om ermee te wachten tot ik een respectabele leeftijd had bereikt. Ik had nooit gedacht dat ik acht jaar later nog steeds maagd zou zijn. Toen wilde ik er dringend van af en dat is me ook wel gelukt, maar ik vond niets terug van alles waar ik over had gedroomd.'
Van die laatste zin maakte ik een vlugge aantekening, wetend dat er wellicht een aanknopingspunt lag in haar wellicht nogal irreële fantasieën.
'En zo gaat het maar door. Een paar keer per jaar raak ik zo verschrikkelijk verliefd dat ik soms meer dan een kilo per week afval. Dat is... zo'n ontzettend geweldig gevoel. Dan stijg ik boven alles uit en dan voel ik me... gelúkkig. Heel erg opwindend gelukkig. Elke avond ga ik met hem naar bed, figuurlijk dan. In mijn hoofd doen we alles en het is zo levensecht...
In werkelijkheid wordt het meestal niets, en als het toch iets wordt is het vaak van korte duur. En seks... meestal houd ik het af en als dat niet mogelijk is, acteer ik er flink op los. Daarna ben ik zo spuugziek van mijn nepheid dat ik die figuur sowieso al nooit meer hoef te zien. Ik heb gewoon geen flauw idee hoe het moet, seks hebben. Ik ga me duizend dingen afvragen... alles is op zo'n moment zo volslagen imbeciel dat ik er niet met goed fatsoen mee door kan gaan. Ik bedoel, wie dóet zoiets nu eigenlijk? Het is maf en viezig en ongeciviliseerd. Ik vind het belachelijk en niet netjes en ik wou dat dat anders was', besloot ze haar relaas.
'Dat heb je helder verwoord', zei ik terwijl ik nog snel een paar woorden neerpende. Onzeker, negatief lichaamsbeeld, gebrek aan identificatie met lichaam?, controlefreak.
'En daar heb ik dus niks aan', zuchtte zij.
'Het is wel een voorwaarde', zei ik. 'Om ergens een oplossing voor te vinden moet eerst het probleem duidelijk geformuleerd worden.'
Linda haalde haar schouders op.
'Ik heb het gevoel dat ik al jaren bezig ben met het duidelijk formuleren van mijn problemen. Dat is ongeveer het enige waar ik goed in ben. Misschien is dat amusant voor iemand als jij maar mij levert het niets op.'
'Behalve een complimentje', glimlachte ik, om vervolgens weer serieus verder te gaan:
'Heb je zelf enig idee waarom je... dichtslaat op het moment van de seks?'
'Dat zei ik toch al. Ik vind het lachwekkend en gênant.'
'Maar je verlangt er ook naar.'
'Ja. Maar niet... zó.'
'Hoe?'
'Zoals het steeds gebeurt.' Ze haalde haar schouders op.
'Wat moet er volgens jou dan anders?'
Opnieuw haalde ze haar schouders op.
'Ik wéét het niet. Het klopt gewoon niet. Ik voel niets van wat ik in mijn fantasieën voel. Er is geen passie, geen hartstocht, alleen het koude feit van twee lichamen die samen iets ráárs voorbereiden.'
Ik schreef het woord Romantiek op. Niet omdat ik een gebrek aan romantiek wilde suggereren maar omdat Linda's woorden me deden denken aan die periode in de geschiedenis. Ik nam me voor om er later vandaag iets over te lezen. Voor nu wilde ik dit onderwerp afronden aangezien ik nieuwsgierig was naar haar andere probleem.
'Mag ik je een opdracht geven? Maak voor onze volgende afspraak eens een overzicht in twee kolommen. In de ene kolom beschrijf je hoe de seks volgens jou zou moeten verlopen of hoe het in je fantasieën verloopt, en in de andere hoe het in werkelijkheid verloopt.'
Linda knikte. Haar ogen vertelden me dat ze zich er met haar hele wezen op zou uitleven.
'Je wilde nog iets vertellen', zei ik.
'Ja.'
Ze pakte haar tas en haalde een foto tevoorschijn. Ik zag een flink uit de kluiten gewassen lapjeskat.
'Dat is Minouet.'
'Mooi beestje. Is dat jouw kat?'
'Ja, ik heb haar nu vier jaren. Het is mijn vriendinnedier. Ik ben werkelijk verknocht aan die poes.'
'Dat is fijn. Een dier kan zoveel liefde geven en je kunt er ook zoveel liefde aan kwijt.'
En het dramt niet over seks, dacht ik even maar ik glimlachte zelfs geen klein beetje.
'Ja. Het is alleen zo dat... ik durf haar niet op te tillen.'
Ik dacht even na.
'Niet alle katten willen opgetild worden', zei ik toen neutraal.
'Zij wel. Ze houdt er zoveel van om rondgedragen te worden. Maar ik durf dat niet.'
'Waarom niet?'
'Ze is zo... dat lijfje is zo... zo oncompact. Dat buikje en die pootjes... ik heb het gevoel dat de hele zaak alle kanten op valt als ik haar optil en ik ben bang dat ze me dan van schrik bijt of mept.'
'Heeft ze dat wel eens gedaan?'
Terwijl ik die vraag stelde, zag ik opeens een verband dat ik in eerste instantie verwierp en in tweede instantie met alle macht omklemde opdat het niet tussen mijn hersenen zou wegsijpelen. Er was iets met een lichaam, met reacties van een lichaam en met angst voor die reacties. Iets dergelijks krabbelde ik gehaast op mijn notitieblok.
'Nee.'
'Dus gezien je verleden met Minouet is die angst niet erg reëel.'
'Waarschijnlijk niet nee.'
'Heb je enig idee waarom je desondanks bang bent dat ze je pijn doet?'
'Als ik dat wist had ik hier vast niet gezeten.'
*
'Jezus', zegt Joris.
'Inderdaad', zeg ik.
Hij rekt zich uit waarna zijn linkerarm op mijn rugleuning terecht komt. Ik heb hem dat vaker bij anderen zien doen dus ik weet dat het niet nodig is om er aandacht aan te schenken. Desondanks recht ik zo onopvallend mogelijk mijn schouders; mocht zijn arm me raken dan raakt hij in ieder geval Perfect Gerechte Schouders.
Ik grinnik. In sommige opzichten is het niet veel beter met me gesteld dan met Linda.
'Die meid is echt volmaakt narcistisch gestoord', zegt Joris.
Hij geeuwt nogmaals. Zelden heb ik iemand gezien die zo comfortabel is met zijn lichaam en het gedrag ervan. Het maakt hem nog aanraakbaarder dan hij al is.
'Ze zou goed materiaal zijn als ze niet zo eigengereid was', zeg ik.
Het mist een beetje in mijn hoofd en ik besef dat er niet zo heel veel voor nodig is om me mijn eloquentie te laten verliezen.
'Tja, die eigengereidheid krijg je er bij narcistisch gestoorden doorgaans gratis bij.'
Het doet me goed dat hij 'eigengereid' kennelijk een juiste woordkeuze vindt aangezien hij het woord van me overneemt.
'Zo iemand als Linda zou eigenlijk op de meest onconventionele manier voor het blok moeten worden gezet', gaat hij verder.
'Bijvoorbeeld?'
'Misschien moet je haar op een primitieve manier met haar angsten confronteren.'
'Bijvoorbeeld?'
Ik heb het gevoel dat ik het gesprek in handen heb en daar heb ik schik in.
Joris denkt even na.
'Laat haar eens wat foto's zien. Niets pornografisch, gewoon van het menselijk lichaam aldaar ter plaatse. Ik durf te wedden dat ze dat nog nooit heeft durven bestuderen, zelfs niet bij zichzelf.'
Het is een behoorlijk maf idee, iets wat ik nog nooit met een van mijn cliënten heb gedaan.
'Man of vrouw?'
'Beide. Misschien is het zien van de vrouwelijke geslachtsdelen nog wel het belangrijkste voor haar.'
De mist in mijn hoofd wordt dikker als ik me nadrukkelijk realiseer dat ik naast Joris zit in een verlaten gebouw en dat hij zojuist 'vrouwelijke geslachtsdelen' heeft gezegd.
'Ze lijkt behoorlijk bang voor zichzelf en ze lijkt een belangrijk deel van haar lichaam te negeren. Ik vermoed dat haar problemen vanzelf verdwijnen als ze haar lichaam durft te leren ontdekken en te accepteren. Seks hebben is op zich niet moeilijk. Tenminste, dat hoeft het niet te zijn.'
Hij kijkt me recht aan en het enige wat ik op dit moment wens is dat zijn ogen niet zo allesoverheersend lichtblauw zijn. Dan knort mijn maag.
'Sorry', zeg ik met een glimlach.
Hij glimlacht terug.
'Zin in pizza?'
'Pizza?'
'Pizza.'
'Dat is misschien wel een goed idee ja.' God, wat een hoogstbriljante zin. Maar Joris pakt zijn gsm al. Vanuit mijn ooghoek zie ik op het blauwverlichte schermpje een hele rij namen passeren, ongetwijfeld stuk voor stuk van mensen die hem op de een of andere manier nader staan dan ik. Iets wat er momenteel geenszins toe doet.
'Een pizza Hawaï met champignons', hoor ik hem bestellen en ik besluit niet te laten merken dat ik aangenaam verrast ben.
'En wat doen we aan Minouet?'
'Aan wie?'
'Die lapjeskat van Linda. Haar andere probleem. Als je het mij vraagt niet het grootste probleem maar wel het meest urgente. Dat beestje confronteert haar immers voortdurend met haar angst.'
'Haar angst voor katoptillen?'
De manier waarop Joris dat zegt doet me denken aan hoe ik ergens halverwege mijn studie enorm de slappe lach kreeg bij het lezen van een lijst met alle mogelijke fobieën.
'Ehm, ja. Katoptilangst. Een van de zijtakken der felinofobie.'
Terwijl ik dit zeg, begin ik haast te spinnen van zelfingenomenheid. Nu ben ik degene die Joris recht aankijkt en ik besef dat we nooit meer elkaars gelijken zijn dan op momenten waarop ik zijn goedkeuring en hij mijn bewondering niet nodig heeft.
Er wordt gebeld.
We eten de pizza.
We maken een plan.
*
Heel de week ben ik opgewonden als een kind voor zijn verjaardag. Niet zelden kruist mijn blik die van Joris, mijn partner in crime. Soms knipoogt hij even. Ik voel me behoorlijk goed.
Linda blijkt een andere wending te hebben gegeven aan mijn twee kolommen-idee.
'Ik kon het niet splitsen in afzonderlijke delen', verklaart ze, 'dat is zoiets als lichaamsdelen afhakken.'
Ik vind het allang best, ik ben vooral benieuwd naar wat ze opgeschreven heeft.
Uit een plastic tas haalt Linda een handgeschreven vel papier en overhandigt het me. Haar handschrift is onregelmatiger dan ik vermoedde.
"Het is avond. We zijn in zijn huis. De temperatuur is goed. We liggen naast elkaar op zijn bed. We dragen mooie, makkelijk zittende kleren. We praten heel lang over onze jeugd, over onze dromen en daarna over het hiernamaals. Hij laat me foto's zien en ik draag een van mijn gedichten voor. We drukken ons voortdurend volmaakt en zonder schaamte uit. Dat doen we heel lang. Onze lichamen zitten ons niet in de weg. Het maakt niet uit welke vorm onze ledematen hebben. Het maakt niet uit wat ons BMI is. Onze huidskleur doet er niet toe. Zelfs als we vlekken of pukkels hebben doet dat er niet toe. De atmosfeer is reukloos en de luchtvochtigheid is ideaal. We kijken in elkaars ogen terwijl we praten. Ik lees hem, hij leest mij. Het is de hoogste en de meest perfecte vorm van intimiteit.
Hij slaat zijn armen om mijn middel. Ik leun een beetje tegen hem aan. Zijn haar is zacht tegen mijn wang. Er wordt niets van me verlangd behalve gelukkig zijn en dat ben ik al. Ik ben zo gelukkig als ik was toen ik als kind alleen was in een veld vol herderstasjes, alleen en onbespied. De wind, zijn adem is de wind en gratis als de wind. Hij wiegt me heen en weer, hij is langs mijn huid. Ik voel me welkom, even welkom als hij is voor mij. Gewiegd worden is alles wat ik wil.
Ik denk aan God. Nee, ik denk niet aan God; mijn geest is door God overgenomen. Ik kan vliegen en hij ook, en als we vallen, vallen we samen met alles wat we ooit aan eeuwigheid in ons vermoedden. Niets is nog langer overpoëtisch.
Naaktheid wordt noodzakelijk. We vinden een manier om onze kleding vloeiend en ver genoeg te laten verdwijnen. Ons centrum is ons hart, daarom omarmen we elkaar. We kijken niet naar die plek daar beneden. Alleen onze ogen, de multidimensionale spiegels van onze ziel, zijn belangrijk. Onze lichamen verenigen zich alleen omdat onze zielen al verenigd zijn. Onze zielen zijn zozeer verenigd dat er een vonkend, knetterend gevoel in onze lichamen ontstaat. Ik weet dat dit gevoel iets van een lang verloren staat vertolkt.
We worden moe. We vallen in een zeer vredige slaap. Als we wakker worden is er geen plakkerigheid. Ik hoef me niet met toegeknepen dijen naar de badkamer te spoeden om me grondig te gaan douchen."
Ik betrap mezelf erop dat ik het lees als een gedeelte uit een roman, als entertainment, niet als iets waaruit ik voor de schrijfster ervan belangrijke conclusies moet trekken. Het heeft me een beetje ontroerd, een beetje uit het lood van mijn functie geslagen. Ik neem een slok water. Dat helpt.
Op de achterkant heeft Linda de keerzijde, haar realiteit beschreven.
"Ik wil geen rotzooi in mijn huis.
Ik wil mijn bed niet oneindig hoeven verschonen.
Een man is vaak opeens te specifiek; ik wil de mensheid.
Kleren gaan altijd op een onhandige manier uit, vooral spijkerbroeken.
Plaatsen die de zon nooit zien hebben een rare kleur.
Ik hou niet van huidplooien.
Van de zenuwen moet ik plassen en als ik dat gedaan heb moet ik binnen no time weer.
Ik heb het koud.
Over enkele ogenblikken krijg ik kramp in een van mijn kuiten of voeten, of allebei.
Mijn dijen zijn te dik.
Ik denk aan haartjes en adertjes en cellulitis.
Het eerste stukje doet altijd pijn, daarna gaat het beter. Behalve in mijn hoofd.
Ik hou van veel oerige dingen maar niet van oerige seks, wat mijns inziens ook nog eens een contaminatie is, voor de overgrote meerderheid althans.
Ik wou dat schone schijn iets positiefs was en zich ononderbroken handhaafde.
Het beest is belachelijk maar ook beangstigend.
Ik haat zijn uitstraling en zijn gegrom.
Ik haat het om het na te doen maar soms doe ik het toch, uit samenwillendheid.
Ik wil verdwijnen voor het beest en voor wat het in me nalaat.
Ik wil verdwijnen."
Nog een slok water. Me laten meesleuren door Linda's tragiromantische woorden is wel het stomste wat ik kan doen en dat gaat ook niet gebeuren. Ik kijk naar haar, zie hoe haar handen trillen in haar schoot.
'Het is heel moedig dat je dit hebt opgeschreven', doorbreek ik de stilte.
'Dank je', zegt Linda automatisch. Haar blik is een beetje wazig. Ik geef haar even de tijd om zich te herstellen van de wetenschap dat haar woorden door mij zijn gelezen. Intussen overweeg ik de confrontatie met de foto's die ik deze week met gepaste schroom heb gedownload te verplaatsen naar onze volgende afspraak. Het ziet ernaar uit dat Linda een van mijn zeer lange termijn cliënten gaat worden, dus die ene week zal het verschil niet maken.
'Wil je iets drinken?', vraag ik haar.
Ze schudt haar hoofd.
Op dat moment krijg ik een sms. Hij is afkomstig van Joris en bevat slechts één woord.
Minouet.
*
De beide straten worden gescheiden door een gracht. De gracht is zo'n twaalf meter breed en niet erg diep, en bij mooi weer zijn de begraste hellingen een geliefde lunchplek voor studenten van de nabijgelegen hogeschool. Nu is het gras vochtig. Slechts een enkeling laat er zijn hond uit. Ik heb vanochtend voor het eerst echt naar het gras gekeken.
'Laten we even naar buiten gaan', zeg ik, 'een beetje frisse lucht zal je goed doen.'
Aangezien het niet de bedoeling is Linda een keuze te laten, trek ik mijn jas aan en overhandig haar de hare.
'Ik ben moe', zegt Linda.
'Dan gaan we op een bankje zitten', zeg ik.
'Oké.'
Met een vloeiende beweging open ik de deur. Het is belangrijk dat alles vloeiend gaat want God weet dat ik zenuwachtig ben.
We lopen de trappen af, ik voorop. Met opzet loop ik langzaam. Linda's eetgedrag mag zich dan redelijk genormaliseerd hebben, ik sluit niet uit dat ze een van de vele meisjes is die deze trappen gebruiken om er wat extra calorieën af te sprinten.
De wind grijpt onze haren. De wind danst met de halflange donkerblonde haren van de man aan de overkant van de gracht.
Ik hou van je, denk ik terwijl ik nadrukkelijk uitadem, maar ik sms: ok.
Hij hurkt neer bij de kleine cabine. Ik wijs Linda op de man: 'Zie je wat die man daar heeft?'
Ze ziet het niet en lijkt ook niet erg geïnteresseerd. Ik maak me een beetje ongerust. Ze is uitgebluster dan ik haar tot nog toe heb meegemaakt en dan ik op dit moment kan gebruiken. We gaan op het bankje zitten. Ik stoot haar aan.
'Kijk dan.'
Ze kijkt. De man opent het deurtje met de smalle tralies. Erbinnen gaat iets heen en weer. Er komt een gevlekt kopje naar buiten. Twee voorpootjes zakken vrijwel onmiddellijk weg in het gras. Het dier wankelt en de man tilt het met een hand op. Hij komt overeind, kijkt onze richting uit.
'Minouet!'
Linda komt in de gewenste actie. Ze staat op, maar in plaats van onmiddellijk naar haar lapjespoes te rennen kijkt ze mij aan.
'Wat is er gebeurd? Wie is dat? Waarom heeft hij Minouet? Is mijn huis afgebrand?'
Geweldig. Ik ben vergeten rekening te houden met het feit dat Linda alles eerst ontleedt en tot in de finesses wil begrijpen voor ze tot handelen overgaat.
'Nee, alles is in orde. Minouet is hier voor jou. Ga haar maar halen.'
'Ik begrijp het niet... wie heeft dit geregeld? Jij?'
Ik knijp hem behoorlijk. Het is duidelijk dat ik de schuld van de situatie ga krijgen en dat ik die ter wille van het geplande eindresultaat ook op me dien te nemen.
'Ja. Ga maar naar haar toe.'
'Waarom doe je dit? Wie is die man?'
'Hij is een collega van me.'
'Jullie zijn... Heeft hij bij me ingebroken? Ik vind dit niet kunnen. Wat willen jullie hier mee bereiken?'
Haar gevraag irriteert me een beetje. Het liefst zou ik haar zondermeer de brug over schoppen. In een flits zie ik hoe Minouet haar kopje langs het gezicht van de man wrijft. Ze is duidelijk dol op zijn stoppelige kin.
Gelukkig doorziet hij de positie waarin ik verkeer. Hij zet de poes neer op het gras, klapt in zijn handen. Minouet schrikt van het geluid en begint bij hem vandaan te lopen. Hij drijft haar omlaag, in de richting van de gracht.
'Nee.'
Er komt beweging in Linda.
Dan klinkt er geblaf. Een hond in dezelfde kleuren als Minouet holt vlak langs het water, in de richting van de poes.
'Menno! Hier!'
Linda blijft staan. Ik weet hoe bang ze is voor honden. De hond, blijkbaar geïntimideerd door het geschreeuw van zijn baas, staat ook stil. De enige die niet stilstaat is Minouet. Als een konijn schiet ze door het gras omhoog, het trottoir over, de weg op.
Gepiep van remmen. Tot mijn vluchtige opluchting geen klap. Desondanks sla ik mijn handen voor mijn gezicht.
Linda loopt langzaam naar de plek waar de rode Micra tot stilstand is gekomen. Ik weet dat ik naar haar toe moet maar een vreemd gevoel van eerbied dwingt me afstand te bewaren. Ik zie hoe Linda door haar knieën gaat. Elke seconde waarop ze niet opstaat groeit zowel mijn wanhoop als mijn hoop. Eindelijk zie ik haar omhoog komen. In haar armen houdt ze een slap lapjeslijfje. Nadat ze me een onvergetelijke blik heeft toegeworpen, zet ze het op een hollen.
Joris komt naar me toe en slaat zijn armen om me heen.
Ik ruik zijn aftershave.
6 - 20 juli 2009
|
|
|
 |
 Everland
Gedichten
|
06 Juli 2009 | 22:42:57
 |
je had een hoofd vol hondenhok
waarin je ooit zou wonen, samen
met een labrador, een bruine,
een heel grote. je had een plein,
een park, een plaats, een huis voor
al je poppen, schommels, wippen
draaimolens, een tuin waarin je
draven kon en je heel ver verstoppen.
je had een hart dat ooit eens
zonder vlekkenschilders, droom-
verslinders, spelverhinderaars
zou slaan, dat het ritme van het
kind in je steeds zou voorzien van
adem. en een vader die je in het
openbaar aanbad, die je zei dat jouw
gezicht het allerallermooiste was.
je had een ooit dat ooit als alles
uitgewoed en stilgeblust zou
rusten als geen ander. dat vrij
zou zijn en ongestoord, dat niemand
ooit nog ongehoord kon kooien
of verbannen. je hoeft helemaal
niets meer aan je te veranderen.
je had. je kreeg. je hebt je ooit.
6 juli 2009
|
|
|
 |
 Een weggemoffeld leven
Verhalen
|
02 Juli 2009 | 21:58:12
 |
In eerste instantie had ik gelachen. In gedachten had ik iemand ergens achter een bureau zien zitten, iemand die de hele dag al sikkeneurig was en zin had in iets geks. Een glimlach doorbrak zijn monotone chagrijnigheid toen hij een plan bedacht en dit met plotselinge levendigheid uitvoerde. Ik had het hem wel gegund; het was iets wat ik zelf had kunnen doen als ik mijn dag niet had en daar geïrriteerd over was. Van alle grappige dingen was uiteindelijk immers niets grappiger dan een medemens in de maling nemen.
Maar toen ik uitgelachen was, was een onverbeterlijk deel van mezelf begonnen de uitnodiging serieus te nemen.
O ja, ik had hem een brief willen schrijven. Een ontzettend lange brief. Er was zoveel waarvan ik wist dat hij het zou begrijpen. Ik wist niet hoe ik dat wist maar ik wist het zeker. Mijn verwarde kinderjaren, mijn stille maar inwendig zo intense puberteit, hij zou mijn verhaal herkennen zoals ik het zijne herkende als ik zijn foto's zag. Op een manier die ik zelf niet begreep overviel me telkens als ik naar hem keek een bewustzijn dat het mijne niet was. Ik kon hem voelen. Niet in zijn sterrenstatus, maar in zijn erbarmelijkheid.
Tot mijn opluchting was het een schoon gevoel. Ik zou niet ontkennen dat hij sexy was maar ik begeerde hem niet. Ik interesseerde me enkel in zijn geest. Het was de meest merkwaardige geest die ik ooit had ontwaart. Het was een schaduwgeest en dat verbaasde me; hijzelf was immers allesbehalve een schaduwfiguur. Toch was het geen bange geest. Zijn geest was hoog en wit en vederlicht, eenvoudig als een doekje in de wind. Vaak zag ik dat doekje als ik aan hem dacht. Het dartelde net wat hoger dan de mensen lang zijn.
Van die lange brief kwam niets. Er waren niet de juiste woorden, er waren te veel woorden. Ten slotte schreef ik alleen:
'I truly heart your songs. I love it how your lonely soul shines through.'
Geen woorden over mezelf. Hoe diep en groots mijn ervaringen me ook voorkwamen, zelfs op mijn zeventiende was ik me al bewust van het feit dat het hem ten eerste niet zou interesseren en dat hij ten tweede hooguit één ademtocht vrij had voor mijn woorden - mochten deze hem überhaupt al bereiken.
Mijn naam en adres schreef ik er met kleine letters onder. Ik wist dat dat dwaasheid was en ik wist vooral dat ik beter moest weten. Er was een man geweest die me geleerd had om te hopen. Ik had zo ontiegelijk gehoopt dat mijn lichaam er bijna aan onderdoor was gegaan. Hoop was als een molshoop; het was rul en dook onwillekeurig op de vreemdste plaatsen op. Hoop hield levend, vaak op een dodelijke manier.
Ik kon hem zien. Ik hoefde er niet eens mijn ogen voor te sluiten. Ik moest altijd lachen als ik hem zag. Hij was zo heel erg mens. Iets hogers dan mijn fantasie had me vertrouwd gemaakt met zijn mimiek en met zijn nooit geheel ontspannen lippen. Hij was een beetje bleu en een beetje nerveus, hoewel ik vermoedde dat hij door de jaren heen was verleerd dat laatste als zodanig te herkennen, simpelweg omdat het altijd aanwezig was. In veel dingen was hij een beetje klunzig. Soms ging er iets in zijn handen kapot, soms werd er iets onbedoeld nat. Dan glimlachte hij. Zelden had ik iemand zoveel zien glimlachen. Het gaf hem iets kinderlijks. In veel opzichten was hij ook nog een kind en zijn wel-volgroeide facetten staken daar op een unieke manier bij af. Het was a money-making combination.
Waarschijnlijk terecht veronderstelde ik dat er vrouwen waren geweest. Iets zei me dat hij hen niet had gezocht maar dat ze automatisch naar hem toe gekomen waren. Het was iets dat zijn status met zich meebracht. Hij had hen omhelst en hun lippen gekust en van wat daarop volgde vermoedde ik dat zijn gedrag nagenoeg identiek aan het mijne was.
Hij had naar hen geglimlacht. Hij had aan de liefde gedacht. Zijn talent had hem overtuigd van het feit dat passie en intimiteit aan de binnenkant zaten en slechts daar op het hoogste niveau werden ervaren. Het lichaam was stiekem ietwat overbodig. Wilde hij trouw blijven aan wat hem bewoog tot zingen en dansen en schrijven dan moest hij zijn lichaam ontstijgen. Het was iets dat hem niet moeilijk viel, integendeel. Hij volgde slechts zijn hart. Het maakte hem zuiver van binnen. Het maakte dat hij, zo vermoedde ik, op een belachelijke leeftijd nog steeds maagd was.
En zij, de vrouwen, hadden zich afgevraagd waarom het bleef bij kusjes en omhelzingen en waar zijn hartstocht was. Ik sloot niet uit dat ze meenden dat hij impotent was. Ik dacht niet dat hij impotent was.
Misschien was er uiteindelijk toch wel een vrouw geweest die hem had ontmaagd. Een maatje met wie hij had kunnen lachen om het feit dat een lichaam zich zo nu en dan nu eenmaal laat gelden. Vanuit dat oogpunt was het minder storend om daar op sommige momenten gehoor aan te geven en het was voor zijn lichaam vast ook wel gezond.
*
Er was een plaats voor mij; iemand had daadwerkelijk aan me gedacht. Ik was ruimschoots te vroeg. In feite duurde het nog ruim twee uur voor hij opkwam maar de tijd viel me niet lang. Ik bracht hem door met ademhalen. Ik had kunnen huilen zoals ik als kind had gehuild om dingen waarvan ik wist dat ze bestonden, dingen die ik nog niet had gezien en ervaren maar die zich reeds versluierd achter mijn oogleden manifesteerden. Mijn hart stond letterlijk bol van verwachting en dat was zo ruim ademen.
Ik moest er behoorlijk eigenaardig uitgezien hebben zoals ik daar zat, roerloos tussen een kleine tweehonderd zingende, springende, joelende en schreeuwende fans. Maar ik wist dat men mij niet zou opmerken en op mijn beurt sloot ik automatisch de hysterici buiten. Ik zag hem. Mijn hart ving zijn bewegende lichaam in een cocon van tederheid die ook mezelf omsloot. Terwijl hij zong en bewoog begreep ik opeens een heleboel, van mezelf en van het leven. Woorden als onvergankelijk, symbiose, gelukzalig en extraterrestrial raakten me met een kracht die ik, eeuwige ontleder van emoties, niet voor mogelijk had gehouden, om vervolgens in een hoekje van mijn ziel te gaan liggen glimmen.
Hij was de beste zanger. Hij was de beste danser, de beste entertainer. Hij had de mooiste woorden en de mooiste stem. Maar dat was het niet. Het was...
'It's you', zong hij en eindelijk kwam er beweging in me. Ik knikte als een bezetene.
Met nog twee anderen wachtte ik. Zij mochten eerst. Dat was prima. Zijn liedjes zaten in mijn hoofd en zolang dat zo was, viel niets me zwaar of lang of moeilijk; alles wat me wilde storen ketste erop af. Het meisje kwam gillend en in tranen terug, de jongen met een hand voor zijn mond en een handtekening op zijn shirt. Een bodyguard noemde mijn naam.
'Miss Cory Ann?'
Ik knikte, liet het kaartje en mijn legitimatiebewijs zien en zette een paar stappen in de richting van de deur. Even dacht ik aan het woord schoorvoetend. Ik was ervan overtuigd dat ik nog nooit zoveel geschoorvoet had als op dit moment, maar desondanks ik schoorvoette ik moedig voort.
Hij droeg dezelfde kleren nog en hij zat in een stoel met armleuningen. Ik stond voor hem, plotseling en zoals een kind voor zijn vader staat. Hij doorbrak dat beeld door op te staan. Onwillekeurig schrok ik van wat ik al wist maar even was vergeten.
Deze man, hij was te mager. Te magere mensen maakten me altijd enigszins wee. Ze hadden zo weinig schutmateriaal. De doorbloeding van hun lijf lag te dicht aan het oppervlak en ik had altijd het gevoel dat ik me dichter bij hun spijsvertering en overige inwendige lichaamsfuncties bevond dan ik bliefde. Maar wat me trof was de air om hem heen. De air van een weggemoffeld leven. Voor mijn oog verscheen een hemelhoge schutting met daarachter een verlangen dat uitgelaten wilde worden. Het resultaat ervan stond tegenover me, dapper maar weerloos, sterk maar op meer dan één vlak uitgerangeerd.
'Hi. You must be Cory Ann', zei hij met een glimlach.
Er lag een lichtgrijs laagje op zijn stem als hij sprak. Ik had dat eerder gesignaleerd. Het werd helderwit als hij zong, maar als hij niet zong was het als een vleugje nevel in de wind. Het maakte dat ik aan zijn ochtenduren dacht en in een flits verdacht ik hem van niet-ontbijten.
'I am', zei ik met een glimlach terug, 'nice to meet you.'
'Take a seat', zei hij, en toen ontspannen: 'Finally someone who isn't yelling and screaming and fainting.'
Opnieuw lachte hij naar me en opnieuw lachte ik terug.
'I'm glad to be here', zei ik en dat was zo. Ik voelde me zozeer op mijn gemak dat het niet eens in me opkwam me te verbazen over het feit dat ik niet zenuwachtig was.
'I'm glad to have you here', zei hij zacht. Op het grijze laagje trilden kleine haartjes. Ze kietelden mijn ingewanden.
We keken elkaar aan.
'We know each other, don't we', zei hij.
'I think we do', zei ik en ik had net zo goed hallelujah kunnen roepen.
'We must be family', glimlachte hij. En toen: 'Do you mind if I hold your hand for a while?'
Ik wist dat hij niet met me flirtte. Ik knikte ten teken dat het oké was.
Om drie van zijn vingers zat een pleister. Aanvankelijk had ik dat opgevat als een van de vele voor mij onbegrijpelijke uitingen van glamour en ik keurde het onmiddellijk goed, tot ik bedacht dat hij wellicht dezelfde obsessie voor velletjes en nagelriemen had als ik - met alle steeds terugkerende gevolgen van dien. Zijn hand was groot en bleker dan de mijne. Ik bestudeerde de vorm van zijn vingers. Er viel niet meer uit te concluderen dan dat ze onomstotelijk bij elkaar hoorden.
Ik keek op, recht in zijn warme bruine ogen, en op het moment waarop onze handen elkaar raakten, werd het werkelijk licht onder ons zoals in de clip van Billy Jean.
En in ons. En boven ons.
En om ons heen.
Als het mogelijk was dat zielen seks hebben dan was dat precies wat er op dat moment gebeurde. We braken dwars door het maagdenvlies van heden en verleden, van gêne en gewoonte, van status en geslacht. We glimlachten het uit.
'I love you', zei hij toen we minuten later afscheid namen.
'I love you more', zei ik, wetend dat we elkaar ooit meer zouden zien.
2/3/4/5 juli 2009
Voor jou, voor nu je ooit is aangebroken.
Hope I did you a lil proud. |
|
|
 |
 Nippertjesfiguur
Gedichten
|
28 Juni 2009 | 18:17:27
 |
om één minuut voor twaalf ben ik geboren.
voor middernacht. dat moest een teken zijn
van 't lot dat mij al jaren is beschoren:
een nippertjesfiguur. een laatste trein.
28 juni 2009
|
|
|
 |
 Anders niet
Gedichten
|
28 Juni 2009 | 17:14:58
 |
word me vreemd.
dan mag je alles zien.
dan mag je
alles weten.
dus ga nu heen.
ontzenuw. trek je
van me af.
bekleed je
als iemand die
mijn leven liet.
vergeet me.
keer dan pas weer.
omhels me
als een vreemde.
en leg me af.
dan mag je.
anders niet.
28 juni 2009
|
|
|
 |
 De gemeenschap der heiligen
Verhalen
|
27 Juni 2009 | 17:26:31
 |
Beste lezer,
Laat ik u vertellen hoe ik mijn stervende opa bedroog en hoe ik daarna solde met zijn lijk.
Het was begin mei, 1993. Buiten had de Japanse sierkers juist zijn laatste bloesems laten vallen, ze lagen te verbruinen op het gras. Binnen lag mijn opa. Hij was zeventig jaar en in mijn dertienjarige ogen was dat nogal stokoud. Hij lag zo ongeveer te wachten op de dood. Dat was geenszins een benijdenswaardige positie maar in mijn ogen had hij het behoorlijk goed voor elkaar. Hij had juist een prima leven achter de rug en toen het erop aankwam, toen hij ongeneeslijk de kanker bleek te hebben, was hij zich om het hiernamaals gaan bekommeren - met als resultaat dat God Zelf hem op enig moment had toegezegd hem na zijn dood in de hemel op te nemen. Ik wist dat ik over een jaar of zevenenvijftig rustig zou tekenen voor een sterfbed als het zijne.
Op maandag was het drukkend warm. Ik ging die dag niet naar school, de reden waarom is me niet bijgebleven. Mijn moeder, haar broer en mijn oma zaten nu om beurten voortdurend bij mijn opa. Hij was niet langer bij bewustzijn en men was het er over eens dat zijn einde naderde. Men was het er tevens over eens dat dat een zegen was. De afgelopen dagen had hij voortdurend wartaal uitgekraamd en elke passerende auto joeg hem angst aan; hij meende dat 'ze' hem kwamen halen. 'Ze', zo had mijn moeder geconcludeerd, moesten de satan en zijn companen zijn. Het was immers alom bekend hoe Apollyon te werk ging. Juist vóór een stervende werd opgenomen in de hemelse heerlijkheid strekte hij zijn klauwen uit naar het afgetobde lijf en de vermoeide ziel om deze nog eenmaal aan zijn kwellingen te onderwerpen. De dood, de laatste vijand, stond als een heus vagevuur tussen de zieke en het walhalla in. Het lichaam kromp ineen, de geest zweette bijkans bloed.
Dat was ongeveer wat mijn opa was overkomen, vertelde men mij.
Maar er was dankzij de gekruisigde Christus ook verlichting geweest. De voorgaande avond was er een om nooit te vergeten, al was ik er niet bij geweest. Mijn moeder en een vriendin van haar waren getuige geweest van het feit dat mijn opa reeds een blik had mogen werpen in wat zij noemden 'de binnenhoven' en 'het voorportaal van de hemel'. In de schemer van de slaapkamer had hij zijn rechterhand opgeheven en gestameld:
"Ik zie lantaarntjes en de Bijbel."
Dat had hij gezegd.
Mijn moeder had het op een visioen gehouden. Nu was het krijgen van een visioen slechts aan weinigen voorbehouden; alleen zij die God om welke reden dan ook uitermate goed gezind was, kregen een dergelijke openbaring van het hiernamaals. Het was mijn opa overkomen en men had sinds de vorige avond het soort ontzag voor hem dat men voor heiligen heeft. Zalig zijn de doden die in de Heere sterven! Mijn opa was zalig, daar twijfelde ik niet aan. Of hij zou dat in ieder geval spoedig zijn.
Het was een zomerse dag, die maandag. Opa haalde moeilijk adem en de huisarts had toegezegd dat hij een of ander apparaat zou laten brengen dat de lucht om hem heen wat behapbaarder zou maken. Oma zat met gezwollen voeten en ogen aan zijn bed, ze kon zo moeilijk tegen hitte en de dood. Ergens voorin de middag kwam ik met mijn moeder en oom de slaapkamer binnen. We stonden met z'n vieren om het bed, kijkend naar ons lichthijgende familielid. We stonden daar minstens een kwartier, en toen gebeurde het. Opa opende zijn ogen. Hij keek naar mijn oma, mijn moeder, mijn oom. Toen keek hij naar mij.
Op deze leeftijd leerde ik in rap tempo een aantal dingen over mezelf. Ik had bijvoorbeeld geleerd dat ik tot mijn eigen verbazing niet geheel krachteloos was. Mijn kracht lag in mijn ogen. Met mijn ogen kon ik alles. Letterlijk alles. En zolang de mensen naar mijn ogen keken (en waar zouden ze anders naar kijken als ze het een of ander van me wilden weten?), zolang kon ik hen met betrekking tot mezelf laten denken wat ik wilde. Ik was een goede actrice, toen al, en ik wist nagenoeg altijd wat er van me werd verwacht.
Zo ook nu, nu mijn opa's ogen op me gericht waren. Wat kon ik een stervende meer schenken dan alle liefde, warmte, deernis en ontroering die ik in me had? Ik kneep mijn ogen een heel klein stukje toe, alsof ik in de verte staarde. Ik concentreerde me. Ik ademde in, liet de zuurstof schrapen langs de bodem van mijn gemoed. Toen ademde ik uit. Niet alleen door mijn neus, ook door mijn ogen.
Mijn opa lachte. Hij lachte stralend en vrijuit, zielsgelukkig, als een kind. Al die tijd bleef hij naar mij kijken. Mijn moeder en mijn oma begonnen te huilen. Ik bleef inademen, uitademen.
Ik kan me niet herinneren hoe lang het moment heeft geduurd, al met al waarschijnlijk nog geen halve minuut. Mijn opa zakte weer weg. Wij lieten hem alleen met mijn oma.
In de keuken omhelsde mijn moeder me.
"Hij zag het in je", fluisterde ze door haar tranen heen. Ze herhaalde het enkele malen, en zei toen plechtig:
"Dat wordt bedoeld met de gemeenschap der heiligen."
Ik was gewetensvol genoeg om dat direct te willen ontkennen, maar één blik op mijn moeder vertelde me dat dat geen zin zou hebben. Sterker nog, door het te ontkennen zou ik in haar ogen slechts blijk geven van een goddelijk soort deemoed, wat haar onverwrikbare overtuiging ten opzichte van mij enkel zou vergroten. Ik voelde me tamelijk slecht maar ik besloot mijn mond te houden. Daarmee schonk ik mijn moeder een nieuw verhaal over haar Zeer Bijzondere Kind en mezelf een vers laagje wroeging op mijn ziel.
Die nacht stierf mijn opa. Ik had niet verwacht dat het zo snel zou gaan; de dood was minder groots en ging met minder bombarie gepaard dan ik had gehoopt. Mijn nichtje, ruim drie jaar ouder dan ik, was bang van opa's lijk. Ik niet. Ik vond een levenloos lichaam een beetje onnozel en bovenal een beetje vermakelijk.
Ik moet bekennen dat er in mij, zoals waarschijnlijk in nagenoeg ieder mens, een kleine sadist huisde. Van dat feit werd ik me bewust toen ik een jaar of tien was. Ik schreef verhalen over mezelf en jongere kinderen, en altijd was er een leeftijdgenoot die de kleinere kinderen sloeg, kneep of op een andere manier pijn deed. Nooit was ik zelf de pijnveroorzaker, maar heimelijk leefde ik me al schrijvende dusdanig in in die rol dat ik net zo goed wél diegene had kunnen zijn. Ik ging, zo jong als ik was, begrijpen dat het pijnigen van iemand een mens genot kan bezorgen. Ik begrijp dat nog steeds en inmiddels nog beter, en God weet dat ik met geen enkele vezel ook maar overweeg om daar ooit onrechtmatig naar te handelen.
Mijn familie gunde me wat tijd alleen met mijn dode opa. Hij lag in een houten kist, zijn hoofd op wit satijn. De koeling onder de kist ruiste en tot op de dag van vandaag kan mijn neus zich de zoetige geur die er desondanks hing feilloos herinneren. Slechts enkele weken geleden was die geur prominent aanwezig in een van mijn meest afschuwelijke nachtmerries tot nog toe, maar dat is een ander verhaal. Ik stond in de schemerige slaapkamer; zoals het in het dorp betaamt waren de gordijnen gesloten. Fluisterend begon ik tegen mijn opa te praten.
"Leef."
"Leef dan als je durft."
"Klootzak."
Er gebeurde uiteraard niets. Ik geloof dat ik ook niets concreets verwachtte. Desondanks maakte het feit dat ik zonder enig effect kon doen wat ik wilde me ietwat overmoedig. De dood is een stom, tandenloos ding. Je kunt er tegen schoppen als tegen een schedel op het strand. Niet dat ik ooit een schedel op het strand had aangetroffen, maar ik had er een keer iets over gelezen. Het was oneerbiedig om te doen maar het gaf ook een vreemde, spannende kick.
Ik ging aan het voeteneinde van de kist staan. Ik legde mijn handen om de kist. Ik bewoog de kist een beetje.
"Een aardbeving!", fluisterde ik.
Het hoofd van mijn opa bewoog. Ik liet het harder bewegen. Het was heel eng, er zou immers zomaar iemand binnen kunnen komen. Ik stelde me voor hoe de kist zou kunnen kapseizen. Het lichaam van mijn opa zou als een vod de zwaartekracht volgen. Zo ver liet ik het natuurlijk niet komen. Ik liet alleen zijn hoofd bewegen, van links naar rechts, net zover als de flexibiliteit van zijn spieren nog toeliet. Intussen vloekte ik fluisterend. Alles in mij tartte alles wat heilig was en tegen alle wetten in bleek ik de winnaar. Een door en door verdorven winnaar, dat hoefde niemand me te vertellen.
Na een tijdje had ik er genoeg van. Het was niet boeiend meer en ik wist niets anders te bedenken dat interessant en toch ongevaarlijk was. Ik ging maar weer naar de kamer. Daar vertelde mijn moeder juist aan de buren over het gebeurde van de vorige dag. Ze keken allemaal naar me. Hun ogen zeiden dat ze meeleefden met mijn verdriet en ontzag hadden voor mijn ervaring met het heilige.
Ik gaf hen een klein knikje, ging op een van de oranje stoelen zitten en sloeg mijn ogen zedig neer. Automatisch zocht ik naar een zakdoek.
27 juni 2009
|
|
|
 |
 Maal
Gedichten
|
14 Juni 2009 | 13:34:51
 |
je hebt een oerklank aan je keel ontwrongen
en als een maal voor elk te kijk gezet:
dit is mijn pijn. neem, eet ervan, word dronken,
treed aan; dit is een goddelijk buffet.
je aangebrande pijn. hoe anders hem te voeden
dan met het zaagsel van je eigen eer
waarmee je strooide, wild en overmoedig
terwijl je mij in deemoed onderwees.
je pijn. je fijn ontwerp. karikatuur
van een gerecht dat je eens werd onthouden.
tast toe, beproef, dit is van lange duur.
dit uitgelezen maal blijft steeds herkauwbaar
als je mijn vlees -een gril van je natuur-
gedachteloos verwisselt met het jouwe.
13 juni 2009
|
|
|
 |
 Gerrie
Gedichten
|
31 Mei 2009 | 11:45:59
 |
geboren na de oorlog maar nog steeds
bezet gebied: meisje van naam, illusie
en vertrouwen. van wie je naar de ogen
zag kon niemand op je bouwen en 't
berouwde je meer dan je me verried.
het was je moeder die je bloed met
mangelmoes doorroerde en je vader
die je land geen leven liet. je hart
krampte een schamel interbellum bij
elkaar, maar hun wapens bleken
levenslang op je gericht. toen schoot
je zelf. toen bracht je wat je was
verteld van binnen in praktijk.
en lig je daar.
en ben je stil.
en is de grond je rijk.
31 mei 2009
So we can not ignore
We must look for the signs
And maybe next time we might save somebody's life
~Stevie Wonder
|
|
|
 |
 En vrede
Gedichten
|
21 Mei 2009 | 13:09:04
 |
er sluipt een weemoed -nu al- in mijn woorden
al meer zie ik mezelf van bovenaf
er rest me slechts waarmee ik werd geboren:
dit stille vlees en dit bevangen hart
21 mei 2009
|
|
|
 |
 Van mij
Gedichten
|
11 Mei 2009 | 21:49:09
 |
mijn allerliefste poppen zijn heel rijk
en heel beroemd. ik heb ze naar
mijn allerliefste liefsten zelf genoemd
en ik kleed ze elke dag heel mooi
en netjes aan. o ja, ze bestaan
zo prachtig met hun haar zo zacht
en perzikachtig is hun huid. en ze
praten mooie woorden want ze zijn
heel knap en wijs en ze zijn altijd
heel vrolijk, altijd helder staan
hun ogen, dolgelukkig vrij en blij,
want ze leven van de liefde
van de lieve lieve liefde van
ik hou van jou
van mij
11 mei 2009, voor S. ;-)
|
|
|
 |
 Aangevreten
Gedichten
|
23 April 2009 | 11:36:33
 |
ziehier mijn paradijs. ziehier de tot
mijn grond geslagen bodem. ziehier
de wonden waaraan ik ontsproot.
en jij, je handen rijkelijk
te groot, besloot mijn vrucht-
vlees gratis te verpanden
opdat het zou gedijen
in de hoven die jij tot jouw
verrukking had geplant.
je liet mijn appel niet tot wasdom
komen. je zat eraan. je at ervan.
je ging nog lang niet dood.
23 april 2009 |
|
|
 |
 Bouwer
Gedichten
|
22 April 2009 | 14:37:57
 |
men vroeg mijn hand om huizen te gaan bouwen
omdat mij hand een kundigheid verried
men schonk mij zondermeer het volst vertrouwen
zo kreeg ik heel het land als werkgebied
ik bouwde kerken, woningen, paleizen,
kastelen, landhuizen, voor elk wat wils
en men ving aan mijn vaardigheid te prijzen
zodat ik, aangemoedigd, verder ging
met wat ik had aan anderen uit te delen
aan ieder die maar wilde, groot of klein
een toren bouwde ik tot aan de hemel
tot een beschutting tegen ieders pijn
maar 's avonds onderging ik telkens weder
de schande van het zelf zo thuisloos zijn
22 april 2009 |
|
|
 |
 Tweedracht
Gedichten
|
20 April 2009 | 16:42:45
 |
dit is de ander
dit is de een
dit is de kamer waar het woord nog hangt
het schuurt langs de wanden
het schuift langs de grond
het weifelt bij vlagen langs het plafond
op zoek naar de ander
op zoek naar de een
op zoek naar de klank die zijn wederhelft vormt
de ander liep weg en
de een ging ook heen
heel zonder doel is het woord nu alleen
het woord is vergramd
het woord raakt verkrampt
het woord wordt bedwelmd en benauwd en verlamd
en baart een tweeling
een dit en een dat
het woord is bezweken maar zij gaan op pad
dit vindt de ander
en dat vindt de een
van wat ze vinden komt niets overeen
toen hebben dit
en dat iets gedaan
uit hun ontmoeting is tweedracht ontstaan
20 april 2009 |
|
|
|
|
|